Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3. › Paragraaf 3.3.

Artikel 3.3.3.

Bemiddelen van de houder van de urgentieverklaring

Onderdeel van Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025

1.. Gedurende de tweede fase van de urgentie dragen de in de regio werkzame corporaties in gezamenlijkheid verantwoordelijkheid voor het aanbieden van woonruimte aan de houder van de urgentieverklaring. 2.. Gedurende de tweede fase van de urgentie krijgt de houder van de urgentieverklaring van tenminste één van de in de regio werkzame corporaties een direct aanbod van een woonruimte die voldoet elk van de volgende eigenschappen: de woonruimte is gelegen in de in de urgentieverklaring vermelde voorkeursurgentieregio; de woonruimte behoort tot een in de urgentieverklaring omschreven woonruimtetype. 3.. Indien de urgentieverklaring verleend is door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, geldt als de in het vorige lid, onder a, bedoelde voorkeursurgentieregio: de urgentieregio Noordoever, indien in de urgentieverklaring één van de volgende urgentieregio’s als voorkeursurgentieregio is opgenomen: de urgentieregio Waterweg; de urgentieregio Noord; de urgentieregio Hart van Rotterdam; de urgentieregio Oost; of de urgentieregio Noordoever. de urgentieregio Zuidoever, indien in de urgentieverklaring één van de volgende urgentieregio’s als voorkeursurgentieregio is opgenomen: de urgentieregio Zuidrand; de urgentieregio Voorne-Putten; of de urgentieregio Zuidoever. 4.. Zodra de helft van de uitverhuisperiode is verstreken, doet een corporatie de houder van een urgentieverklaring, verleend voor indeling in de in artikel 3.4.7 bedoelde urgentiecategorie, een direct aanbod van woonruimte die gelegen is binnen het in de urgentieverklaring opgenomen zoekgebied en voldoet aan het in de urgentieverklaring opgenomen woonruimtetype.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel