Het afzien van invordering betekent het buiten invordering stellen van de teruggevorderde bijstand zodat slechts een natuurlijke verbintenis blijft bestaan.
In afwijking van de artikelen 4 en 5 van deze beleidsregels besluiten burgemeester en wethouders van invordering af te zien, als:
de belanghebbende bij een niet-fraudevordering of een geldlening gedurende 36 maanden volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;
de belanghebbende bij een niet-fraudevordering of een geldlening gedurende 36 maanden niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar de achterstallige betalingen over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente, alsnog heeft betaald;
de belanghebbende een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de reststom in één keer aflost;
de belanghebbende gedurende 5 jaar geen betaling heeft verricht op een niet-fraudevordering of geldlening en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten;
bij beëindiging van de uitkering en na eventuele verrekening met vakantiegeld, een niet-fraudevordering of geldlening ontstaat of resteert met een saldo van maximaal € 125,00;
een minnelijke of dwingende schuldregeling tot stand is gekomen en de niet-fraudevordering ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang.
a. De invordering van een schuld die is ontstaan nadat een minnelijke of dwingende schuldregeling tot stand is gekomen, wordt opgeschort voor de duur van de schuldregeling;
b. Als de onder a bedoelde schuldregeling met succes is doorlopen dan wordt deze tijdens de schuldregeling ontstane schuld buiten invordering gesteld.
Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op vorderingen die door pand of hypotheek op een goed of goederen zijn gedekt, tenzij zij niet op die goederen verhaald kunnen worden.
Hoofdstuk
Artikel 12.
Afzien van invordering
Onderdeel van Beleidsregels terug- en invordering en verhaal WWB en WIJ 2011