Een belangrijk vereiste voor een rechtmatige verwerking van persoonsgegevens door middel van cameratoezicht betreft de noodzakelijkheid van de verwerking. Hierbij spelen de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit een belangrijke rol.

Proportionaliteit

Het proportionaliteitsbeginsel houdt in dat de inbreuken op de belangen van de betrokkenen niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot het met de verwerking te dienen doel. Aan dit beginsel kan worden voldaan als de bodycam pas wordt geactiveerd op basis van inschatting of verwachting van de handhaver dat dit voor zijn/haar veiligheid noodzakelijk is (dataminimalisatie). De onderbouwing dient te allen tijde te zijn gebaseerd op de eigen veiligheid van de betreffende handhaver. Voorts is het van belang dat het voor betrokkenen duidelijk moet zijn dat er beelden worden opgenomen. Daartoe zal bij het starten van de opnamen door de toezichthouder/BOA met luide stem of andere niet mis te verstane wijze kenbaar worden gemaakt dat er opnamen zullen worden gemaakt.

De bodycams worden pas aangezet wanneer de toezichthouders/boa's in situaties terechtkomen die dreigen te escaleren. Het voldoen aan de proportionaliteitseis is een verantwoordelijkheid van de toezichthouder/BOA en valt daarmee onder zijn of haar discretionaire bevoegdheid. De beelden worden, onder andere op grond van artikel 6 lid 4 AVG, niet gebruikt voor andere doelen dan in dit protocol beschreven.

De beelden worden op een zelfstandige, met wachtwoord beveiligde, niet op een netwerk aangesloten en in een afgesloten kast staande, laptop opgeslagen en kunnen niet zomaar worden uitgelezen. Hiervoor is in dit protocol een instructie opgenomen, waarin onder meer wordt vermeld dat de beelden slechts na toestemming van het afdelingshoofd Dienstverlening en Veiligheid door een selecte groep, die is benoemd in het uitleesprotocol (de paragrafen 5.2 en 5.3 vormen samen het uitleesprotocol), kunnen worden uitgelezen. De beelden mogen op geen enkele wijze worden verspreid, anders dan aan politie of OM indien de beelden gebruikt worden voor de bewijsvoering in een aangifte. Door de strikte voorwaarden die gesteld worden aan het gebruik van de bodycams, wordt voldaan aan het vereiste van proportionaliteit.

De stand-alone laptop en de software voor het uitlezen van de camerabeelden worden op regelmatige basis gecontroleerd op updates en indien aanwezig worden deze uitgevoerd.

Subsidiariteit

Het subsidiariteitsbeginsel houdt in dat het doel waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt niet op een andere, voor de betrokkenen minder nadelige, wijze kan worden verwerkelijkt. Concreet betekent dit, dat het gebruik van bodycams ter beveiliging van personen en goederen slechts mag worden ingezet indien er ook andere beveiligingsmaatregelen zijn getroffen. Minder vergaande maatregelen dienen onvoldoende effectief te zijn en deze maatregelen kunnen redelijkerwijs niet worden uitgebreid.

In dit kader moet worden opgemerkt dat toezichthouders/boa’s tijdens avond- en weekenddiensten altijd in koppels van twee hun taak uitoefenen. Voorts hebben zij de beschikking over een portofoon met een directe verbinding met de meldkamer van de politie en dienen zij een steek werend vest te dragen. Deze maatregelen en middelen sluiten verdere escalatie niet uit.

Voorts heeft de veiligheid van de toezichthouder/BOA voortdurend bijzondere aandacht. De huidige uitrusting van de boa behelst tot op heden geen vergelijkbaar middel dat kan worden ingezet in escalerende situaties om de in de inleiding gestelde doelen te bereiken.

Verder is de noodzaak van de gegevensverwerking aanwezig gedurende het gehele verwerkingsproces en dus niet slechts op het moment dat de verwerking aanvangt. Dit betekent dat de Toezichthouder/BOA zich er regelmatig van vergewist of het cameratoezicht nog steeds noodzakelijk is. Wat ‘regelmatig’ is, is afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval. Gelet op het bovenstaande wordt geconcludeerd dat onder deze voorwaarden is voldaan aan het beginsel van subsidiariteit.