1.. Aan de houder van een urgentieverklaring wordt overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 2 van deze verordening voorrang gegeven bij de verlening van huisvestingsvergunningen. De voorrang vangt aan zodra de urgentieverklaring in werking treedt.

2.. De houder van de urgentieverklaring zoekt gedurende de geldigheidsduur van de urgentieverklaring zelfstandig naar en reageert op woonruimte:

  • - die te huur wordt aangeboden op het platform, als bedoeld in artikel 2.3.5, eerste lid;
  • - die past binnen het in de urgentieverklaring opgenomen zoekprofiel; en,
  • - waarvoor geldt, dat aan houders van een urgentieverklaring gelet op het bepaalde in hoofdstuk 2 voorrang gegeven wordt bij het verlenen van een huisvestingsvergunning.

3.. Woonruimte die behoort tot de in artikel 2.1.1, eerste lid, onder a, aangewezen categorie kan via directe bemiddeling aan de houder van een urgentieverklaring te huur aangeboden worden als de woonruimte voldoet aan het in de urgentieverklaring opgenomen zoekprofiel.

4.. De urgentieverklaring vervalt als de houder ervan met een daartoe verleende huisvestingsvergunning een woonruimte betrekt die voldoet aan het in de urgentieverklaring ogenomen zoekprofiel.

5.. Het tweede lid is niet van toepassing bij het te huur aanbieden van woonruimte bedoeld in artikel 2.1.1, eerste lid, onder b, indien de houder van de urgentieverklaring is ingedeeld in de urgentiecategorie ‘uitstroom naar zelfstandig wonen’ omdat sprake is van een woningzoekende als bedoeld in artikel 3.2.1, tweede lid, onder c, d, e of f.