(artikel 4.9 Wmo-verordening 2025)
**1..** In aanvulling op artikel 4.9 tweede lid van de Verordening kan het college een driewielfiets, loopfiets, handbike of een rolstoelfiets toekennen als de cliënt als gevolg van beperkingen in de sta- en loopfunctie problemen ondervindt bij het verplaatsen buitenshuis over afstanden tot 500 meter en de cliënt een dagelijkse vervoersbehoefte in zijn leefgebied heeft van maximaal 8 kilometer waarin niet of niet volledig op andere wijze voorzien kan worden.
**2..** In aanvulling op het vorige lid kan het college een voorziening tot aanpassing van een driewielfiets, loopfiets, handbike of een rolstoelfiets toekennen als dit vanwege de beperkingen van de cliënt dan wel diens vaste begeleider medisch noodzakelijk is.
**3..** Het college kan een aangepast kinderzitje toekennen indien het voor de ouder(s) noodzakelijk is dat zij hun kind meenemen bij verplaatsingen in het kader van het leven van alledag en hierin niet op andere wijze in kan worden voorzien.
**4..** In aanvulling op het eerste lid kan het college, naast de voorziening, een financiële tegemoetkoming in de kosten van vervoer toekennen als de cliënt een aantoonbare vervoersbehoefte heeft waarin de fiets niet voorziet en waarop ook niet op andere wijze kan worden voorzien.
**5..** Het college kan een speelvoertuig toekennen aan:
een kind jonger dan 12 jaar dat als gevolg van motorische beperkingen, al dan niet in combinatie met- of ten gevolge van- zintuiglijke of cognitieve beperkingen, geen gebruik kan maken van een algemeen gebruikelijk speelvoertuig of voorliggende voorziening; of
een kind dat als gevolg van een cognitieve of verstandelijke handicap in combinatie met motorische beperkingen geen gebruik kan maken van een algemeen gebruikelijk speelvoertuig of voorliggende voorziening en niet woonachtig is in een Wlz-instelling.
Hoofdstuk 3
Artikel 3.21
Fietsen en speelvoertuigen
Onderdeel van Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2025