Van verwijtbaar gedrag als bedoeld in artikel 22 lid 1 onder g van de verordening is in ieder geval sprake:
bij woninguitzetting wegens huurschuld of overlast, veroorzaakt door één of meerdere leden van het huishouden van aanvrager;
al dan niet gedwongen verkoop van de woning;
als de aanvrager, zonder eerst te zorgen voor woonruimte voor hem en zijn huishouden, naar de desbetreffende gemeente is verhuisd;
als de aanvrager op basis van een tijdelijk huurcontract in een woonruimte woont en dit huurcontract loopt af;
als de aanvrager gedurende de periode van twee jaar direct voorafgaand aan de aanvraag heeft gewoond in een woning waar volgens het bestemmingsplan of omgevingsplan niet permanent gewoond mag worden.