Distributieleidingen liggen zoveel mogelijk in het trottoir.
Rioleringen, warmtenetten en transportleidingen worden in het overige deel van de openbare weg gesitueerd.
De volgorde van kabels en leidingen vanaf de perceelsgrens:
telecommunicatie;
elektra;
gas;
water;
warmte;
riool.
De onderlinge afstand tussen kabels of leidingen moet conform de dwarsprofielen in de LIOR zijn.
De afstand vanaf de perceelsgrens tot aan de eerste kabel of leiding is weergegeven in de dwarsprofielen van de LIOR.
In bermen langs wegen moet de afstand van de ligging van de kabels of leidingen tot aan de verharding ten minste gelijk zijn aan de diepteligging ervan.
Distributie- of mutatiepunten mogen niet aangebracht worden in rijbanen, parkeerplaatsen, uitwegen, op kruisingen, ter plaatse van de in- en uitritten van percelen, binnen de kroonprojectie van bomen en (tenzij het vanwege netwerk technische redenen niet anders kan) in kabel- en leidingtracés. De distributie- of mutatiepunten dienen bij voorkeur geplaatst te worden in voetpaden, bermen of groenvoorzieningen.
Bij de bepaling van het tracé moet rekening gehouden worden met bestaande bovengrondse voorzieningen, bomen of andere groenvoorzieningen (zie de bomenposter in de LIOR).
Hoofdstuk 7. › Paragraaf 7.2.
Artikel 7.2.2
Uitgangspunten horizontale ligging
Onderdeel van Handboek kabels en leidingen Oosterhout