Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 2.

Doelgroep bijzondere bijstand Alleenverdienersproblematiek

Onderdeel van Beleidsregels Alleenverdieners problematiek 2025

1.. De bijzondere bijstand alleenverdienersproblematiek kan worden verstrekt aan een huishouden dat: een inkomen heeft uit arbeid, een uitkering (niet zijnde een volledige algemene bijstandsuitkering) eventueel aangevuld vanuit de toeslagenwet en/of eventueel aangevuld met algemene bijstand en, vergeleken met een vergelijkbaar huishouden voor wie algemene bijstand op grond van artikel 19 van de wet de enige bron van inkomsten is, minder toeslag ontvangt op grond van de Wet op de zorgtoeslag en de Wet op de huurtoeslag, vanwege de asynchroniteit van de afbouw van de dubbele algemene heffingskorting zoals bedoeld in artikel 37, tweede lid, van de wet ten opzichte van de afbouw van de dubbele algemene heffingskorting als bedoeld in artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001, en een netto-inkomen en tegemoetkomingen met toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen ontvangt dat in totaal lager ligt dan bij een vergelijkbaar huishouden waarvoor het inkomen uit een uitkering enkel bestaat uit een uitkering op grond van artikel 19 Participatiewet, vanwege hetgeen genoemd is onder sub b. 2.. Tot het huishouden wordt niet gerekend de persoon die op de datum van aanvraag: niet woonachtig is in de gemeente Scherpenzeel; is ingeschreven in de basisregistratie personen als ingezetene met enkel een briefadres; 3.. Voor de toepassing van deze regeling wordt aangesloten bij het vermogen zoals dat in het betreffende peiljaar is vastgesteld door de dienst toeslagen. 4.. Een huishouden (alleenstaande, alleenstaande ouder of gezin) heeft een laag inkomen als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan het toepasselijke bestaansminimum. Bij wisselende inkomsten wordt het gemiddelde inkomen gedurende de referteperiode gehanteerd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel