Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 2

Bepaling afdracht aan de vereveningsreserve

Onderdeel van Nadere regels vereveningsverordening sociale huur gemeente Houten 2025

1.. Een afdracht is verplicht indien het verplichte aantal sociale huurwoningen niet wordt gerealiseerd conform artikel 4 van de Verordening. Bij het voldoen aan de verplichting in geval van realisatie vindt afronding in hele aantallen plaats, zoals vermeld in artikel 6 lid 1 sub a van de Verordening, met dien verstande dat in een project de realisatie van minimaal één sociale huurwoning verplicht is en in een project met één woning naar boven wordt afgerond. 2.. Het college bepaalt de afdracht. Voor het bepalen van de hoogte van de afdracht wordt de volgende berekening volgordelijk toegepast: Het tekort aan sociale huur wordt berekend door de norm voor sociale huur (30%) te verminderen met het daadwerkelijke procentuele aandeel sociale huur in een bouwplan; Bij het bepalen van het aandeel sociale huur, zoals bedoeld in onderdeel a, worden sociale huurwoningen van woningcorporaties meegerekend. Sociale huurwoningen van andere verhuurders worden enkel meegerekend mits de initiatiefnemer zich aantoonbaar voldoende heeft ingespannen om overeenstemming te bereiken met een woningcorporatie, zoals benoemd in de Verordening onder artikel 7 lid 1 sub f; Het tekort aan sociale huur wordt evenredig verdeeld over het bouwplan, waarbij onderscheid wordt gemaakt naar woningtype; Voor elk woningtype is een afdracht berekend. Deze is gebaseerd op het ‘grondwaardeverschil’, namelijk de per woningtype berekende marktconforme grondwaarde, minus de grondwaarde van sociale huur, zoals vastgesteld in de grondprijzenbrief. Appartementen worden vergeleken met de gemiddelde grondwaarde van sociale huur appartementen zoals vastgesteld in de grondprijzenbrief. De overige woningtypen worden vergeleken met de grondwaarde van grondgebonden sociale huurwoningen; Indien in een bouwplan grondgebonden betaalbare koop, dan wel middenhuur, wordt gerealiseerd zijn de sociale grondprijs en de grondwaarde voor betaalbare koop voor grondgebonden woningen conform de vigerende grondprijzenbrief het uitgangspunt voor de berekening van het grondwaardeverschil; Indien in een bouwplan betaalbare koopappartementen, dan wel middenhuur woningen worden gerealiseerd met een gebruiksoppervlakte van 65 m2 of meer is de afdracht voor deze woningen gelijk aan de afdracht voor betaalbare grondgebonden woningen; De afdrachten per woningtype, met daarbij voor de appartementen een onderscheid naar gebruiksoppervlak (GO), zijn in 2025 als volgt; appartement tot 65 m2 GO € 35.000 appartement tot 65-130 m2 GO € 70.000 appartement 130 of meer m2 GO € 130.000 betaalbare koop, dan wel middenhuur € 40.000 Rijwoning € 85.000 2‐onder‐1‐kap € 130.000 Vrijstaand € 250.000 De evenredige verdeling over het bouwplan wordt berekend door voor het gehele bouwplan het grondwaardeverschil te berekenen (gelijk aan een virtuele afdracht bij een norm van 100% sociale huurwoningen en 0% realisatie), vermenigvuldigd met het procentuele tekort sociale huur; De afdrachten per woning (artikel 2 lid 2, sub g) worden per 1 januari van het kalenderjaar geïndexeerd. Dit gebeurt op basis van de meest recent beschikbare Prijsindex Nieuwbouwkoopwoningen (CBS). Het eerstvolgende indexatiemoment na vaststelling van de nadere regels vereveningsverordening is 1 januari 2027. 3.. Geen afdracht is verschuldigd bij: Splitsing van één zelfstandige woning in meerdere zelfstandige of onzelfstandige woningen, waarbij het gebruiksoppervlakte vrijwel gelijk blijft, met een maximale verandering van 5%; sloop/nieuwbouw waarbij het aantal woningen gelijk blijft; de realisatie van één bedrijfswoning; een buitenplanse omgevingsplanactiviteit waarbij het bouwvolume van de in het Omgevingsplan toegestane woning(en) niet meer dan 5% toeneemt (bijvoorbeeld nokhoogte, goothoogte). 4.. Met de afdracht mogen de volgende uitgaven ten behoeve van het project verrekend worden: Aantoonbare extra uitgaven bovenop gebruikelijke bouwkosten die samenhangen met de verbouwing en instandhouding van een Rijks- of gemeentelijk monument; Aantoonbare extra uitgaven bovenop gebruikelijke bouwkosten die samenhangen met de toepassing van de ‘Ruimte voor Ruimte regeling’ zoals kosten voor sloop en asbestsanering;

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel