1.. Bij het aanvullen van sleuven en breekgaten worden de grondsoorten en de bouwstoffen door de netbeheerder aangebracht in de oorspronkelijke lagen en laagdikten. Alle aanvullingen worden laagsgewijs door de netbeheerder verdicht tot minimaal 3N/mm2, waarbij de te verdichten laag een maximale dikte van 30 cm heeft.

2.. De verdichting van de aanvulling gebeurt door de netbeheerder zodanig dat de oorspronkelijke dichtheid voorafgaande aan het ontgraven zo goed mogelijk wordt benaderd. Om dit resultaat te bereiken wordt de bovenste laag altijd verdicht met mechanische apparatuur. Waar het technisch mogelijk is, zorgt de netbeheerder ervoor dat er laagsgewijs mechanisch wordt verdicht.

3.. De proctordichtheid van de aanvullingen onder verhardingen wijkt na verdichten niet meer dan 3% in negatieve zin af van de oorspronkelijke proctordichtheid, zoals deze op korte afstand naast de sleuf wordt aangetroffen.

4.. Van zand, dat in aanvullingen onder verhardingen is verwerkt, bedraagt de verdichtingsgraad ten minste: - 98% voor het zandbed van rijbanen en voet- en fietspaden op zandondergrond en van rijbanen op kleiondergrond; - 97% voor het zandbed van rijbanen op veenondergrond en voet- of fietspaden op kleiondergrond; - 96% voor het zandbed van voet- en fietspaden op veenondergrond.

5.. Tekortkomend materiaal dan wel overtollig materiaal wordt respectievelijk door de netbeheerder op eigen kosten aangevoerd of afgevoerd.

6.. De controle van de verdichting gebeurt door de netbeheerder om de 50 meter aselect met behulp van een automatisch zelfregistrerend (hand)sondeerapparaat, waarbij de conuswaarde wordt gerelateerd aan een voor de te verdichten sleufaanvulling representatief proefvak.

7.. Het resultaat van de in het zesde lid bedoelde controle wordt schriftelijk door de netbeheerder ter goedkeuring aan de toezichthouder overgelegd.