Wettelijke taken gemeente
Op 1 januari 1997 heeft het Rijk de verantwoordelijkheid voor adequate huisvesting van scholen in het primair en voortgezet onderwijs overgedragen aan de gemeente. Vanaf deze decentralisatie heeft de gemeente de zorgplicht voor de onderwijshuisvesting. Gemeente Aa en Hunze ontvangt hiervoor (niet-geoormerkte) middelen uit het Gemeentefonds. De zorgplicht van de gemeente voor het primair onderwijs is vastgelegd in de Wet op het Primair Onderwijs (WPO), de zorgplicht voor het speciaal onderwijs in de Wet op de Expertisecentra (WEC) en die voor het voortgezet onderwijs in de Wet op het Voortgezet Onderwijs (WVO). Onder het primair onderwijs vallen zowel het basisonderwijs als speciaal basisonderwijs (SBO). Aangezien Aa en Hunze geen scholen voor speciaal basisonderwijs heeft, richt dit IHP zich op het basisonderwijs en voortgezet onderwijs.
Per 1 januari 2015 zijn de WPO en de WEC gewijzigd. Het schoolbestuur is sindsdien verantwoordelijk voor de bekostiging van het totale onderhoud, aanpassingen en exploitatie van de huisvesting. Naar aanleiding van deze wijziging heeft de gemeenteraad de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Aa en Hunze in 2015 vastgesteld.
De wettelijke zorgplicht houdt op hoofdlijnen in dat de gemeente zorg dient te dragen voor:
Adequate huisvesting van alle leerlingen van alle scholen die op het grondgebied van de desbetreffende gemeente zijn gelegen (bekostiging nieuwe schoolgebouwen of vervangende nieuwbouw, uitbreiding(en), ingebruikname van bestaande schoolgebouwen en tijdelijke huisvesting);
Het vergoeden van de eerste aanschaf van een onderwijsleerpakket, leer- en hulpmiddelen en meubilair;
Herstel constructiefouten;
Herstel in geval van bijzondere omstandigheden (bijvoorbeeld calamiteiten als brand, diefstal, stormschade en aardbevingsschade);
De kosten voor het verwijderen van asbest, waarvan de aanwezigheid bij het schoolbestuur niet bekend was en waar de aanwezigheid een direct gevaar oplevert voor op korte termijn uit te voeren (onderhouds)werkzaamheden.
Daar waar de aanwezigheid van asbest vooraf bekend is (bijvoorbeeld vanuit een asbestinventarisatie) en dit geen direct gevaar oplevert, kan het schoolbestuur de noodzakelijke kosten voor verwijdering reserveren in het meerjaren-onderhoudsplan. Het schoolbestuur is conform de huidige regelgeving (Arbeidsomstandighedenbesluit) verantwoordelijk voor het laten opstellen van een asbestinventarisatie.
Wettelijke taken schoolbesturen
Vanaf 1 januari 2015 zijn schoolbesturen van het primair onderwijs volledig verantwoordelijk voor al het onderhoud en aanpassingen aan hun gebouwen en ontvangen daarvoor ook de rijksmiddelen. In het voortgezet onderwijs geldt dit al vanaf 2005. Dat wil zeggen dat als een gebouw niet meer voldoet aan de bouwkundige of onderwijskundige eisen, de verantwoordelijkheid hiervoor in eerste aanleg bij de schoolbesturen ligt, tenzij op basis van een overeenkomstig NEN 2767 opgesteld bouwkundig rapport is vastgesteld dat vervangende nieuwbouw noodzakelijk is doordat onderhoud of aanpassingen niet zullen leiden tot de gewenste levensduurverlenging.
Schoolbesturen zijn daarnaast ook verantwoordelijk voor de overige taken rondom de instandhouding van het schoolgebouw, zoals schoonmaak, veiligheid en beheer. De schoolbesturen ontvangen op basis van het aantal leerlingen van het Rijk een zogenaamde lumpsumvergoeding om de (materiële) instandhouding te kunnen uitvoeren.
Economisch en juridisch eigendom
Uitgangspunt van de onderwijswetgeving (WPO/WEC en WVO) is dat het eigendom van het schoolgebouw ligt bij het schoolbestuur. Dit eigendom wordt als zodanig vastgelegd in het kadaster via een notariële akte. Hiermee is het schoolbestuur ook verantwoordelijk voor het onderhoud van het gebouw, ook wanneer lokalen leegstaan in het gebouw. Het onderwerp ‘leegstand’ wordt nader besproken in paragraaf 2.4.10.
In het spraakgebruik wordt bij de schoolgebouwen onderscheid gemaakt tussen het juridisch eigendom (schoolbestuur) en het economisch eigendom (claimrecht). Het juridisch eigendom van schoolgebouwen kan bij verschillende partijen liggen:
Bij het bevoegd gezag (schoolbestuur), voor zover dit een zelfstandige rechtspersoon is;
De gemeente voor zover deze tevens het schoolbestuur is (integraal bestuur en via een bestuurscommissie ex artikel 83 Gemeentewet). Ook komt het voor, voornamelijk bij multifunctionele gebouwen met naast onderwijs ook andere functies, dat de gemeente zowel economisch als juridisch eigenaar is en met het schoolbestuur via een ingebruikgevingsovereenkomst afspraken over het gebruik vastlegt;
Een derde partij die een schoolgebouw in bezit heeft, zoals een woningbouwvereniging of een andere privaatrechtelijk partij;
Enkele schoolbesturen die oude scholen in bezit hebben. In dat geval is geen sprake van een scheiding tussen juridisch en economisch eigendom.
In Aa en Hunze zijn alle scholen voor basis- en voortgezet onderwijs in juridisch eigendom bij het schoolbestuur. Alleen CDS ’t Kompas en OBS J. Emmensschool, onderdeel van MFC De Spil, worden middels een ingebruikgevingsovereenkomst door de gemeente in gebruik gegeven aan het schoolbestuur. De gemeente is economisch én juridisch eigenaar van MFC De Spil. In de ingebruikgevingsovereenkomst is vastgelegd dat de gemeente het buitenonderhoud uitvoert en het schoolbestuur de component buitenonderhoud overmaakt aan de gemeente.
Bij het beëindigen van het gebruik van een schoolgebouw of terrein door een schoolbestuur kunnen gemeente en bevoegd gezag verklaren dat het gebruik als school niet meer nodig is. Na die verklaring moet het gebruik zijn beëindigd (artikel 28 Verordening Voorzieningen Huisvesting Onderwijs gemeente Aa en Hunze). Bij het beëindigen van het gebruik van een door een schoolbestuur bekostigde uitbreiding krijgt de gemeente, als economisch eigenaar, op basis van het economisch claimrecht het volledige eigendom van het pand en terrein inclusief het gedeelte wat door het schoolbestuur is bekostigd, tenzij op het laatste een opstalrecht is gevestigd. Het schoolbestuur kan een vergoeding voor dat deel vragen als zonder vergoeding sprake is van een ongerechtvaardigde verrijking van de gemeente. Dat is nu niet aan de orde.
De gemeente kan na deze overdracht het schoolgebouw aan een ander schoolbestuur toewijzen of een andere bestemming geven. Het voorgaande geldt ook wanneer een gedeelte van een gebouw of terrein blijvend niet meer wordt gebruikt voor de school (artikel 110 WPO/108 WEC/6.20 WVO).
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.3.
Artikel 2.3.1.
Huidige wetgeving
Onderdeel van Evaluatie en Actualisatie Integraal Huisvestingsplan Onderwijs 2020-2035