Ontwikkelingen
De volgende alinea’s richten zich op het kwaliteitsniveau en de bijbehorende financiële uitgangspunten. Hiermee wordt enerzijds aangesloten op de huidige marktontwikkeling (stijging van bouwkosten en een realistische prijsindexering en anderzijds wordt een koppeling gemaakt tussen het kwaliteitsniveau en reële bedragen.
In de gemeentelijke Verordening Voorzieningen Huisvesting Onderwijs is opgenomen welke vergoeding de gemeente beschikbaar stelt voor het uitbreiden en realiseren van een nieuw schoolgebouw en de realisatie van voorzieningen voor beweegonderwijs. De hoogte van deze vergoeding was oorspronkelijk in de jaren ’90 bepaald en werd jaarlijks volgens een vaste index bijgesteld. Door deze systematiek sloot in het tweede decennium van de deze eeuw de (norm)vergoeding niet meer aan bij de werkelijkheid. Door het aanscherpen van de bouweisen in het bouwbesluit en de marktontwikkeling was de normvergoeding, ondanks een eenmalige verhoging per 1 januari 2019 met 40%, geen realistische vergoeding voor het realiseren van een nieuw schoolgebouw. Inmiddels heeft de VNG de geadviseerde normvergoeding zodanig aangepast dat deze realistisch is en wordt ook voor de indexering een realistische norm gevolgd.
Daarnaast zijn door Ruimte-OK en HEVO ook normkosten voor de bouw van scholen ontwikkeld. Beide gaan uit van een basistarief en verdere kosten voor aanvullende kwaliteitseisen. Ruimte -OK hanteert hiervoor het kwaliteitskader onderwijsvoorzieningen in het funderend onderwijs. Het voordeel daarvan is dat het overleg over aanvullende kwaliteitseisen transparanter wordt omdat tegelijkertijd ook de kosten daarvan in beeld zijn.
Beleid Aa en Hunze
In het oorspronkelijke IHP is uitgegaan van een bedrag per m2 dat indertijd door ICS, de maker van het IHP, berekend was. De VNG kon toen nog geen realistische bedragen geven. Inmiddels is dat wel zo. DE VNG heeft het normbedrag fors naar boven bijgesteld en gaat ook uit van realistische indexeringen. Het voordeel van de VNG bedragen is, dat die meer rekening houden met het feit dat een klein schoolgebouw hogere kosten per m2 heeft dan een groot schoolgebouw.
Omdat er in Aa en Hunze veel kleine scholen zijn, wordt daarom als richtlijn weer uitgegaan van het VNG-bedrag.
Alle bedragen zijn richtinggevend; pas bij de planontwikkeling voor een nieuwe school zal afhankelijk van de specifieke situatie een berekening van de kosten voor de bouw worden gemaakt.
Dit geldt voor het basisonderwijs.
Voor het voortgezet onderwijs is in het besluit tot de bouw van de onderwijs- en cultuuraccommodatie een bedrag van € 3800 per m2 gehanteerd, prijspeil 2024. Het ligt niet voor de hand nu voor dit plan een andere norm te gaan hanteren.
Door de onverwacht grote stijging van het aantal leerlingen zal de uitvoering van de plannen vertraging oplopen, omdat wijzigingen nodig zijn. Daarom zal het bedrag van € 3800 per m2 wel als uitgangspunt dienen, maar zal deze geïndiceerd worden met de jaarlijkse BdB (Bouwkostendata, een onafhankelijk adviesbureau) index voor de prijsontwikkeling in de bouw.
Voor eventuele toekomstige plannen moet ook voor het voortgezet onderwijs uitgegaan worden van de VNG-normkosten als richtlijn, met ook daarbij de aantekening dat bij de planontwikkeling de definitieve kosten worden vastgesteld.
Het beoogde kwaliteitsniveau komt hieronder op verschillende plaatsen aan de orde. Aan het eind van het hoofdstuk wordt daarvan een samenvatting gegeven. In hoofdstuk 4 wordt meer concreet op de bedragen ingegaan.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.4.
Artikel 2.4.3
Bouwkostenontwikkeling.
Onderdeel van Evaluatie en Actualisatie Integraal Huisvestingsplan Onderwijs 2020-2035