Wet- en regelgeving
Voor nieuwbouw is vanaf 2020 in het Bouwbesluit verder aangescherpte wet- en regelgeving van toepassing omtrent de kwaliteit van schoolgebouwen met daarbij duurzaamheid in het bijzonder. Alle overheidsgebouwen (inclusief scholen) in Nederland die vanaf dan nieuw gebouwd worden dienen een Bijna Energie Neutraal Gebouw oftewel BENG te zijn. BENG specificeert eisen voor de maximale energiebehoefte, het maximale fossiele gebouw gebonden energiegebruik en een minimaal aandeel hernieuwbaar op te wekken energie. Voor de uitvoering van het IHP is het Bouwbesluit leidend, waarbij een discussie over hogere kwaliteitseisen gevoerd zal moeten worden.
In 2015 volgde uit de internationale klimaattop in Parijs het ‘Akkoord van Parijs’ dat door 195 landen is ondertekend. Ook Nederland ondertekende dat akkoord en stemde daarmee in om de opwarming van de aarde te beperken. Wereldwijd willen we in 2030 bijna de helft (49%) minder broeikasgassen uitstoten dan in 1990. Elk land moet eigen, nationale maatregelen nemen om het wereldwijd afgesproken doel te halen. In Nederland is een nationaal Klimaatakkoord afgesloten. Op basis van het klimaatakkoord is het beleid verder uitgewerkt en aangescherpt. Dat heeft ook zijn uitwerking gehad op het beleid in de gemeenten Aa en Hunze.
Beleid Duurzaamheid Aa en Hunze algemeen.
De gemeente Aa en Hunze heeft in april 2024 de duurzaamheidsvisie “Samen voor een duurzaam Aa en Hunze” vastgesteld.
Ook zijn in de begroting 2024 uitspraken gedaan over de verduurzaming van het maatschappelijk vastgoed.
Voor de onderwijshuisvesting is met name het terugdringen van de CO2-uitstoot van gebouwen relevant en daarnaast maatregelen voor klimaatadaptatie van de omliggende terreinen van de school.
Voor de CO2-Uitstoot stelt de gemeente in de duurzaamheidsvisie voor zichzelf de volgende ambities vast:
Een besparing van minimaal 20% op het aardgasgebruik in 2030
De gebouwde woonomgeving is in 2040 fossielvrij en energieneutraal
Als regisseur, aanjager, facilitator en partner werken we samen met en bieden we ondersteuning aan inwoners, energie-initiatieven, bedrijven, woningcorporaties, huurdersverenigingen en de netwerkbeheerder bij de energie- en warmtetransitie.
Er wordt een start gemaakt met het aardgasvrij maken van gebouwen in eigendom van de gemeente. In 2030 is de CO2 uitstoot van deze gebouwen 49% minder ten opzichte van 1990
In de begroting 2024 wordt over het maatschappelijk vastgoed gezegd:
De gemeente kent verschillende gebouwen met een publieke functie zoals gebouwen van sportverenigingen, cultuurinstellingen en dorpshuizen. Dit noemen wij het maatschappelijk vastgoed van de gemeente. Ons maatschappelijk vastgoed vraagt om verduurzaming. Voordat we kunnen starten met de daadwerkelijke uitvoering, moeten we de huidige status in kaart brengen van alle gebouwen met een publieke functie. Hoe duurzaam zijn we al en wat is er nodig om verder te verduurzamen? Ook moeten we prioriteren wat we eerst en misschien later verduurzamen.
In het gedeelte in de duurzaamheidsvisie over klimaatadaptatie wordt gezegd:
In 2030 zijn de gronden rondom het gemeentelijk vastgoed en openbaar groen van de gemeente klimaat adaptief en natuurlijk ingericht.
Beleid Aa en Hunze duurzaamheid onderwijshuisvesting
Onderwijshuisvesting is de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de gemeente en de onderwijsinstellingen.
De gemeente is verantwoordelijk voor nieuwbouw en renovatie van gebouwen waarbij uitgangspunt voor de kwaliteit is het huidige bouwbesluit dat uitgaat van Bijna Energie Neutrale Gebouwen (BENG).
De onderwijsinstellingen zijn verantwoordelijk voor het onderhoud en de aanpassingen van bestaande gebouwen. Onderdeel daarvan is de verduurzaming. Deze verantwoordelijkheidsverdeling neemt niet weg dat zowel bij duurzaamheidsmaatregelen in bestaande gebouwen als bij nieuwbouw gemeente en schoolbesturen een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor de verduurzaming van de onderwijsgebouwen.
Voor de onderwijshuisvesting hanteren we in het IHP dezelfde ambitie als voor het maatschappelijk vastgoed in de gemeente:
Het vastgoed voor onderwijshuisvesting vraagt om verduurzaming. Voordat gemeente en schoolbesturen kunnen starten met de daadwerkelijke uitvoering, moeten ze, voor zover dat nog niet gebeurd is, de huidige status in kaart brengen van alle onderwijsgebouwen.
Hoe duurzaam zijn we al en wat is er nodig om verder te verduurzamen en wat zijn daarvan de kosten? Ook moeten we prioriteren wat we eerst en misschien later verduurzamen.
Bij nieuwbouw is in 2040 meer nodig dan bouwen volgens het bouwbesluit (BENG). Het ligt voor de hand om voor nieuwbouw daarom te streven naar energieneutraal (ENG). Daarbij zal de hoogte van de extra kosten bepalen in hoeverre aan dit streven voldaan kan worden.
Voor het bereiken van de doelstellingen voor bestaande gebouwen is een belangrijke inspanning van de schoolbesturen noodzakelijk.
Er is dus zowel voor het duurzaam bouwen van nieuwe schoolgebouwen als voor de verduurzaming van bestaande onderwijsgebouwen veel overleg en samenwerking nodig,
De gemeente werkt daarbij ook voor de onderwijshuisvesting samen met het onderwijsveld vanuit zijn rol van regisseur, aanjager, facilitator en partner en biedt ondersteuning aan de onderwijsinstellingen bij de energie- en warmtetransitie.
Concreet betekent dit:
Bij nieuwbouw kijken we er gezamenlijk naar de vraag of ENG te realiseren is, welke gemeentelijke inspanning daarvoor mogelijk is en wat de onderwijsinstellingen kunnen bijdragen omdat ze in de duurzame gebouwen lagere onderhouds- en energiekosten hebben. Het initiatief voor de planontwikkeling ligt hierbij bij de gemeente vanuit de verantwoordelijkheid voor nieuwbouw en renovatie.
Bij bestaande gebouwen inventariseren we de te nemen maatregelen, voor zover dat nog niet gebeurd is, en maken we de kosten daarvan inzichtelijk. Het initiatief voor het onderzoek en het inzichtelijk maken van de kosten hiervoor ligt bij de onderwijsinstellingen vanuit hun verantwoordelijkheid voor aanpassingen van de gebouwen.
Voor een totaal afweging van maatregelen worden voor een gebouw waarvoor dat aan de orde is, de kosten van duurzaamheidsmaatregelen samen met andere noodzakelijke kosten voor aanpassingen integraal in kaart gebracht. Op basis daarvan wordt zo nodig een afweging gemaakt tussen het uitvoeren van de aanpassingen in het bestaande gebouw enerzijds en renovatie of nieuwbouw anderzijds. Het initiatief voor de onderzoeken ligt bij de onderwijsinstellingen.
De afweging wordt gezamenlijk door de gemeente en de betrokken onderwijsinstelling gemaakt.
Dus als bijvoorbeeld voor een gebouw grote uitgaven voor onderhoud en vernieuwing van installaties gepland zijn of aanpassingen voor de functionaliteit noodzakelijk zijn èn er grote uitgaven voor de verbetering van duurzaamheid nodig zijn, dan kan onderzocht worden of niet renovatie of nieuwbouw meer gewenst is.
Zowel bij bestaande gebouwen als bij nieuwbouw wordt gekeken naar de mogelijkheid van het realiseren van groene schoolpleinen en de consequenties daarvan voor het onderhoud van de schoolpleinen. Bij dat laatste wordt er rekening mee gehouden dat de onderhoudskosten van groene schoolpleinen aanmerkelijk hoger liggen dan die van traditionele schoolpleinen.
In hoofdstuk 3 wordt aangegeven voor welke bestaande schoolgebouwen op welke termijn duurzaamheidsonderzoeken uitgevoerd worden. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de onderzoeken bij bestaande gebouwen ligt bij het schoolbestuur.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.4.
Artikel 2.4.4
Duurzaamheidsontwikkelingen
Onderdeel van Evaluatie en Actualisatie Integraal Huisvestingsplan Onderwijs 2020-2035