Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.4.

Artikel 2.4.5

Kindcentra-ontwikkeling

Onderdeel van Evaluatie en Actualisatie Integraal Huisvestingsplan Onderwijs 2020-2035

De afgelopen jaren is de trend om basisonderwijs te integreren met voorschoolse educatie en kinderopvang in een (integraal) kindcentrum (ook wel IKC). Deze integratie krijgt landelijk draagvlak en is ook een slimme oplossing voor gebieden waar sprake is van bevolkingskrimp. De kindcentra bieden opvang en educatie voor kinderen van 0 tot einde basisschoolleeftijd. Hiermee wordt een ononderbroken ontwikkelingslijn aan de kinderen aangeboden. Ook heeft een kindcentrum een gezamenlijke pedagogische en didactische visie doordat er één team is en één aansturing. Een kindcentrum is daarmee een verdergaande samenwerking/integratie dan bij brede scholen het geval is. Bij brede scholen zit onderwijs en opvang onder één dak en hoeft er geen sprake te zijn van één bestuur. De gemeente Aa en Hunze zag in het oorspronkelijke IHP voor zichzelf geen initiërende rol bij de ontwikkeling van Integrale Kindcentra en liet dit over aan het onderwijs en kinderopvangorganisaties. Landelijk gaan steeds meer gemeenten over tot het stimuleren van IKC-vorming omdat zij IKC’s gewenst achten voor het realiseren van eigen doelstellingen vanuit de verantwoordelijkheid voor Voor- en Vroegschoolse Educatie en de jeugdzorg. Een ononderbroken ontwikkelingslijn van 0 tot 13 jaar draagt bij aan het voorkomen van problemen voor kinderen en jongeren en zorgt voor een goed perspectief in de toekomst. PrimAH heeft in gesprekken met het college de wens uitgesproken voor een meer actieve rol van de gemeente. Samen met een behoorlijk deel van de kinderopvangorganisaties hebben de schoolbesturen voor het PO deze wens in een manifest eveneens uitgesproken. In Aa en Hunze heeft de gemeente het initiatief genomen tot een brede samenwerking met instellingen op het thema Opgroeien. Zij geeft daarmee invulling aan de gemeentelijk regiefunctie. De vorming van integrale kindcentra past binnen deze samenwerking en kan daar onderdeel van zijn. Beleid Aa en Hunze De gemeente Aa en Hunze zal daarom ook in dit opzicht binnen dit thema vanaf nu vormgeven aan een regiefunctie voor IKC-vorming. IKC-vorming is een inhoudelijk proces; het gaat om afspraken over samenwerking en het organiseren van een doorlopende lijn. Gezamenlijke huisvesting is faciliterend aan dit proces, maar geen noodzakelijke voorwaarde. In het algemeen stimuleert de gemeente de vorming van IKC’s bij de ontwikkeling van plannen voor nieuwbouw en renovatie van onderwijsaccommodaties door een actievere rol te spelen bij het starten van overleg over IKC-vorming Voor de gemeente is daarbij van belang dat zij de regels voor het omgaan met marktpartijen goed naleven. De ontwikkelingen rond het zogeheten “Didam-Arrest” worden daarbij gevolgd, In het najaar van 2021 is een gerechtelijke uitspraak gedaan (het “Didam-arrest”) die vaststelt dat gemeenten bij verkoop van gemeentelijke grond commerciële partijen gelijke kansen moeten geven om een aanbod te doen. De uitwerking van de uitspraak is nog steeds onduidelijk. Dat betekent dat bij de vorming van kindcentra bij de concrete planontwikkeling het raadzaam is om de actuele stand van zaken op dit thema te toetsen. Vooralsnog baseren we ons daarbij op het kennisdocument “Het “Didam-arrest en de gevolgen voor de ontwikkeling van kindcentra” van Ruimte-OK en het Waarborgfonds Kinderopvang. Dit document beargumenteert dat wanneer de onderwijsorganisatie de verhuurder is aan de kinderopvangorganisatie het Didam-arrest niet van toepassing is. Dit noemen zij scenario 1. Op basis van de huidige jurisprudentie hoeft de onderwijsorganisatie als bevoegd gezag niet te voldoen aan de criteria vanuit het arrest. In scenario 2 is de gemeente de verhuurder en gaat zij een rechtstreekse relatie aan met de kinderopvangorganisatie. Dat betekent dat ze in die scenario’s middels objectieve, toetsbare en redelijke criteria potentiële gegadigden de mogelijkheid moet bieden om mee te dingen. De scenario’s zijn hieronder terug te vinden. In november 2024 heeft de Hoge Raad een tweede arrest gepubliceerd. In dit arrest wordt niet gesproken over verhuur van onroerend goed. Uit andere jurisprudentie blijkt echter dat verhuur van in ieder geval grond wel onder het Didam-arrest valt. Hieronder volgt een uitwerking van het uitgangspunt. We hanteren daarbij drie scenario’s. Scenario 1 De gemeente investeert in het volledige kindcentrum, zowel in het onderwijsdeel als ook in het kinderopvangdeel. Het juridisch eigendom van de volledige huisvesting ligt bij de onderwijsorganisatie. De onderwijsorganisatie is als bevoegd gezag de verhuurder van de ruimten voor kinderopvang. De onderwijsorganisatie maakt de keuze voor een kinderopvangorganisatie vanuit inhoudelijke argumenten voor samenwerking. De gemeente stelt voorwaarden aan het huurcontract. Scenario 2 De gemeente investeert in het volledige kindcentrum, zowel in het onderwijsdeel als ook in de ruimte voor kinderopvang. Het juridisch eigendom van het volledige kindcentrum blijft bij de gemeente en de onderwijsorganisatie krijgt een gebruikersovereenkomst voor haar deel. De gemeente wordt de verhuurder van de ruimten voor kinderopvang. Bij de keuze voor een kinderopvangorganisatie zijn de inhoudelijke argumenten van de onderwijsorganisatie leidend. De gemeente stelt voorwaarden aan het huurcontract. Dit scenario is van toepassing als er naast onderwijs en kinderopvang ook andere voorzieningen in het gebouw worden opgenomen, dus als er sprake is van een multifunctioneel centrum. Scenario 3. De gemeente investeert in het volledige kindcentrum, zowel in het onderwijsdeel als ook in de ruimte voor kinderopvang. In dit scenario blijft de gemeente economisch eigenaar van het volledige kindcentrum (IKC), maar wordt het juridisch eigendom van het onderwijsdeel overgedragen aan het schoolbestuur. De gemeente kiest de kinderopvangorganisatie en blijft juridisch eigenaar van de kinderopvangruimte, die zij verhuurt aan de kinderopvangorganisatie tegen een marktconforme huur. In alle gevallen komen gemeente en onderwijsorganisatie gezamenlijk tot heldere criteria voor de keuze van een kinderopvangorganisatie die voldoet aan de geldende wettelijke normen. Voor zover nog niet het geval, kan voor scholen met leegstand onderzocht worden of er kansen zijn voor IKC-vorming, en zo ja, de leegstaande ruimte daarvoor te benutten. Algemeen Algemeen geldt: als er over combinatie van huisvesting gesproken wordt moet er ook een inhoudelijk traject zijn gericht op IKC-vorming of op zijn minst nauwe samenwerking tussen onderwijs en kinderopvang. De gemeente werkt niet mee aan huisvesting in één gebouw, wanneer er geen samenwerkingsafspraken zijn gemaakt tussen onderwijs en kinderopvang In het bijlagenboek zijn onder bijlage 1 de te volgen procedures voor scenario 1, 2 en 3 te vinden overeenkomstig de juridische interpretatie in het document “Het Didam-arrest en de gevolgen voor de ontwikkeling van kindcentra”, van Ruimte-OK en het Waarborgfonds en Kenniscentrum Kinderopvang

Rechtspraak bij dit artikel