1.. De ouders doen al het mogelijke om de inzet en omvang van kinderopvang op basis van de tegemoetkoming zo beperkt mogelijk te houden;

2.. De ouders doen onmiddellijk, na het bekend worden daarvan, uit eigen beweging schriftelijk mededeling van alle feiten en omstandigheden die van invloed kunnen zijn op het recht op de tegemoetkoming;

3.. De ouders verstrekken op verzoek alle gegevens en inlichtingen die nodig zijn om het recht op de tegemoetkoming en de hoogte daarvan te kunnen vaststellen;

4.. De ouders werken structureel en actief mee aan de oplossingen en acties die in het ondersteuningsplan beschreven staan;

5.. Indien de ouders niet actief meewerken of niet aan de afspraken gemaakt in het plan kunnen voldoen in verband met bijzondere omstandigheden, dan treden zij in overleg om afspraken te maken op welke termijn, in welke opbouw of op welke manier wel aan de gemaakte afspraken kan worden voldaan.

6.. Indien de ouders zich onvoldoende inzetten om het onderliggende probleem te verhelpen en/of te verminderen, dan kan de tegemoetkoming stopgezet worden.