Trottoiropgangen bevinden zich bij oversteekplaatsen en nabij parkeervoorzieningen. Zij hebben tot doel om voetgangers (onder andere mensen in een rolstoel, met een rollator of mensen met een kinderwagen) eenvoudig van en op het trottoir te laten komen.

Daarnaast gelden de volgende aandachts- en/of uitgangspunten;

  • - Doorgaande wandelverbindingen zodanig op elkaar aansluiten dat de rijbaan haaks kan worden overgestoken;
  • - Trottoiropgang haaks op de rijweg en buiten het tangentpunt projecteren. In een 30 km-zone (waar weinig verkeer is) mag deze wel in de bocht worden aangebracht;
  • - Breedte van 1,20 m;
  • - Bij voldoende trottoirbreedte => 4 st. inrittenblokken, 1x links, 2x “tussen” en 1x rechts;
  • - Bij onvoldoende trottoirbreedte => verlaagde band toepassen => 1x links, 1x “tussen” en 1x rechts en een maximale helling 1:10;
  • - Om hoogteverschillen (in de goot) en de kans op plasvorming te minimaliseren, moeten trottoiropgangen bij voorkeur op het hoogste afwateringsniveau worden aangebracht;
  • - Achter een trottoiropgang moet een horizontaal vlak aanwezig zijn dat tenminste 1,20 m diep is om een rolstoelgebruiker de gelegenheid te geven om te draaien;
  • - Een oversteekplaats wordt bij voorkeur voorzien van een lichtmast ten behoeve van de zichtbaarheid van overstekende voetgangers in het donker.