Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3 › Paragraaf 3.2

Artikel 3.2.4

Overige geohydrologische eigenschappen

Onderdeel van Bodemenergieplan Kenniskwartier

De overige geohydrologische eigenschappen die belangrijk zijn voor de toepassing van een open bodemenergiesysteem zijn weergegeven in Tabel 3.2. Tabel 3.2 | Geohydrologische eigenschappen voor een open bodemenergiesysteem parameter toelichting grondwaterstand 3,5 m-mv (3,2 – 3,8 m-mv) (bron: peilbuis B50F1659 & B50F0653) stijghoogten 1e watervoerende pakket: 2,7 m-mv (2,2 – 3,1 m-mv) (bron: peilbuis B50F0551) 2e watervoerende pakket: 7 – 8 m-mv (bron:REGIS) stromingssnelheid- en richting 1e watervoerende pakket: 15 m/jaar in noordwestelijke richting 2e watervoerende pakket: 15 m/jaar in noordnoordwestelijke richting temperatuur 10 - 11°C (20 – 80 m-mv) redox redoxovergang mogelijk aanwezig in 1e watervoerende pakket. Afhankelijk van aanwezigheid deklaag bodemsplijting risico aanwezig vanwege ondiepe ligging gas mogelijk verhoogde gasdruk aanwezig zoet/brak/zoutgrensvlak zoet/brak- en brak/zoutgrensvlak: > 200 m-mv geschikt, geen belemmering of aandachtspunt aandachtspunt of risico hoog risico of belemmering Redox Binnen de deklaag en het eerste watervoerende pakket komen diverse waterkwaliteiten voor. Water dat vanaf het maaiveld of vanuit het oppervlaktewater in de bodem infiltreert bevat hoge concentraties aan oxidatoren. Gedurende het verblijf in de ondergrond komt het water in aanraking met reducerende stoffen en worden de oxidatoren geleidelijk verbruikt. Doordat de sterkste oxida-toren daarbij als eerste worden verbruikt, ontwikkelt de grondwaterkwaliteit zich gedurende dit proces volgens een karakteristieke volgorde. Deze volgorde is schematisch weergegeven in Figuur 3.3. Figuur 3.3 | Schematische weergave van de ontwikkeling van de watersamenstelling naarmate het grondwater steeds verder gereduceerd raakt (bron grafiek link: Appelo en Postma, 1993,; indeling redoxtoestanden gebaseerd op Griffioen et. Al, 1997) Een redoxgrens is een overgang van (sub)oxisch grondwater naar gereduceerd grondwater. Bij menging van (sub)oxisch grondwater met gereduceerd grondwater vinden redoxreacties plaats, waarbij neerslag wordt gevormd. Deze neerslag zet zich af in de bronnen, het verbindend leidingwerk en de warmtewisselaars. Dit leidt tot verstopping van de bronnen, wat grote nadelige gevolgen heeft voor de werking van het open bodemenergiesysteem. Deze problematiek is vaak moeilijk beheersbaar en onomkeerbaar. Om verstopping te voorkomen worden open energieopslagsystemen daarom vaak zo ontworpen dat alleen gereduceerd grondwater verpompt wordt (met systemen in oxisch grondwater is maar weinig ervaring). Daarom is het belangrijk om de diepte van de redoxgrens te onderzoeken en daar in het ontwerp rekening mee te houden. De bronfilters worden dan bij voorkeur op voldoende afstand van de redoxgrens, zodat aantrekken van (sub)oxisch grondwater wordt voorkomen. In overleg met de gemeente kan eventueel uitgeweken worden naar het tweede watervoerende pakket (zie paragraaf 3.3 Bodembelangen, onderdeel verontreinigingen). Binnen het eerste watervoerende pakket van het Kenniskwartier bevinden zich mogelijk meerdere waterkwaliteitsovergangen. De bodemopbouw kan lokaal sterk variëren. De aan-/afwezigheid en dikte van de deklaag zijn van belang voor de diepteligging van de waterkwaliteitsovergang. Hierdoor blijft het per project van belang om de lokale waterkwaliteit en bodemopbouw in kaart te brengen, om zo een inschatting te kunnen maken van de redoxrisico’s. Bodemsplijting Bij de infiltratie in een bron neemt de waterdruk toe. Wanneer de tegendruk van de bodem lager is kan de bodem splijten, ook wel opbarsten genoemd. Dit zorgt voor onherstelbare schade aan de bron. Daarom moet dit voorkomen worden. Dit kan door de bron dusdanig te ontwerpen dat de infiltratiedruk niet te hoog kan worden. Dit vormt ook een aandachtspunt bij de hoeveelheid bronnen die bij elkaar geplaatst kunnen worden. Gas Rond het projectgebied zijn bij meerdere open bodemenergiesystemen een relatief hoge gasdruk aangetroffen. Het gaat hierbij om het systeem van de spoorzone deelgebied – Lochtstraat (2,3 atmosfeer), het systeem van de Bankier (2,3 atmosfeer) en het systeem van Groeseind (2,6 atmosfeer). Wanneer een open bodemenergiesysteem niet op voldoende overdruk wordt gehouden kan ontgassing optreden. Wanneer ontgassing optreedt, kunnen de vrijgekomen gasbellen verstoppingen veroorzaken tussen de zandkorrels, wat verlies van broncapaciteit tot gevolg heeft. Geadviseerd wordt om rekening te houden met een mogelijk hogere gasdruk in het plangebied door voor nieuwe bronnen uit te gaan van de aangehouden overdruk die gehanteerd wordt bij de bestaande bronnen. Een andere beheersmaatregel om meer inzicht in de gasdruk te plaatse te krijgen, is het uitvoeren van een gasdrukmeting na realisatie van de bron. Het beschreven risico vormt geen belemmering voor de realisatie van een open bodemenergiesysteem.

Rechtspraak bij dit artikel