1. De locaties voor ondergrondse inzamelmiddelen liggen bij voorkeur in gronden die in eigendom zijn van de gemeente. Is er geen geschikte locatie in de openbare ruimte voorhanden of wordt daarmee de afstand tot de woningen te groot dan is plaatsing van ondergrondse containers op terrein van derden een optie.

2. Op verzoek van of in overeenstemming met de Vereniging van Eigenaren of de woningbouwcorporatie waartoe de grond behoort kan worden afgeweken van lid 1 . De gemeente geeft uitsluitend toestemming voor het plaatsen van een ondergrondse restcontainer op particuliere grond als Saver een overeenkomst met de grondeigenaar heeft gesloten voor het vestigen van opstalrecht, zodat bij eigendomsoverdracht de container kan blijven liggen.

3. Bij de realisatie van een nieuwe hoogbouwlocatie met wooneenheden waar het gebruik van ondergrondse containers voor huishoudelijk restafval wenselijk is draagt de ontwikkelaar de kosten voor de aanleg van de ondergrondse container voor restafval. Voor de overige monostromen is de aanleg van ondergrondse containers voor rekening van de gemeente.

4. De maximale loopafstand tussen de perceelgrens en de ondergrondse restafvalcontainer bedraagt 200 meter, gemeten vanaf de erfgrens.

Afwijken van deze afstand is mogelijk vanwege het ontbreken van een geschikte locatie en/of efficiency en doelmatigheid.

5. Bij het bepalen van de locatie van ondergrondse containers wordt zoveel als mogelijk rekening

gehouden met een zo kort mogelijke loopafstand vanaf seniorenwoningen.

6. Voor ondergrondse containers voor monostromen als oud papier, GFT-E, glas , PBD en textiel zijn geen

maximale afstanden vastgesteld. De betreffende containers worden bij natuurlijke aanlooproutes

geplaatst. Bijvoorbeeld in de buurt van winkelcentra of centraal in een wijk

7.. Een (ondergrondse) afvalcontainer wordt zoveel mogelijk centraal geplaatst ten opzichte van de woningen die gebruik maken van de inzamelvoorziening. Gezocht wordt naar een optimum tussen (kosten)efficiency, service en stimulering van afvalscheiding.

8.. Er worden geen ondergrondse afvalcontainers geplaatst in archeologisch waardevol gebied tenzij er geen alternatief voorhanden is

9. Er worden geen bomen gekapt ten behoeve van een ondergrondse afvalcontainer tenzij er geen alternatief voorhanden is..

10. Het inzamelvoertuig kan de locatie zonder achteruitrijden bereiken en verlaten. Achteruit insteken is toegestaan, mits de inzamelaar deze manoeuvre als veilig beoordeeld.

11. De locatie is goed zichtbaar vanuit de directe omgeving en goed verlicht.

12. De ondergrondse afvalcontainer is goed bereikbaar voor voetgangers, fietsers en mindervaliden.

13. De (ondergrondse) afvalcontainer wordt zodanig geplaatst, dat de verkeers- of sociale veiligheid niet in het gedrang komt.

14. De ondergrondse containers worden zodanig geplaatst dat voetgangers, al dan niet met een rolstoel, rollator, scootmobiel of kinderwagen, niet worden belemmerd bij het gebruik van het trottoir.

15. Ondergrondse containers worden zodanig geplaatst dat deze aan de openbare weg liggen, bij

voorkeur aan een doorgaande weg (in of uit een wijk).

16. Ondergrondse containers worden zoveel mogelijk bij of naast bestaande (ondergrondse) inzamel voorzieningen geplaatst.

17. Aan de rijbaanzijde van de locatie is parkeren verboden en geldt een parkeerverbod

18. De rijbaan ligt horizontaal en evenwijdig aan een container.

19. De afstand tussen de trottoirband en een container bedraagt minimaal 0,3 meter en maximaal 5 meter.

20. Het hoogteverschil tussen de rijbaan en het trottoir bedraagt maximaal 0,35 meter.

21. De rijbaan heeft een vrije ruimte vanaf 7 meter voor de inworpzuil tot 3,5 meter na de inworpzuil.

22. De vrije ruimte boven een container bedraagt minimaal 4 meter; de vrije ruimte boven de rijbaan bedraagt minimaal 8 meter.

23. De afstand tussen containers bedraagt minimaal 0,3 meter.

24. De afstand tussen een locatie (rand van de container) en de dichtstbijzijnde gevel is minimaal

twee meter.

25. Het aanwijzen van locaties ten koste van parkeerplaatsen wordt zoveel mogelijk voorkomen.

26. Voor het plaatsen van containers worden in principe geen kabels en leidingen verlegd. Vooraf

wordt hiernaar onderzoek verricht. Indien desondanks tijdens de plaatsing blijkt dat een kabel of

leiding aanwezig is waardoor het plaatsen van de ondergrondse container niet mogelijk is wordt

een afweging gemaakt tussen een alternatieve locatie voor de ondergrondse container of het

verleggen van de kabels en leidingen.

27. Een ondergrondse container wordt zodanig geplaatst dat het inzamelvoertuig bij het legen geen hinder heeft van objecten (bijv. verkeersborden, lantaarnpalen) en geparkeerde voertuigen.

28. Een ondergrondse container wordt zodanig geplaatst dat zich tussen het inzamelvoertuig en de

locatie geen fietspad of parkeerplaats bevindt.

29. Bij situaties waarin het plaatsen van een ondergrondse container niet mogelijk is kan (tijdelijk)

een bovengrondse dan wel een semi-ondergrondse inzamelvoorziening met een toegangssysteem

worden geplaatst