1. Tenzij in deze verordening anders is bepaald wordt de verlaging
toegepast met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgend
op de datum waarop het besluit tot verlaging van de
bijstandsuitkering aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij
wordt uitgegaan van de geldende bijstandsnorm ten tijde van de
gedraging.
2. In afwijking van het eerste lid kan de verlaging met
terugwerkende kracht worden opgelegd, voor zover de bijstand of de
langdurigheidstoeslag nog niet is uitbetaald. Daarbij wordt
uitgegaan van de geldende bijstandsnorm ten tijde van de
gedraging.
3. In afwijking van het eerste lid kan de verlaging, voor zover het
zelfstandigen betreft die een uitkering voor het levensonderhoud in
de vorm van een geldlening op grond van het Bbz hebben ontvangen,
met terugwerkende kracht worden betrokken bij de definitieve
vaststelling van die bijstand.
4. Indien de verlaging als gevolg van beëindiging van de uitkering
niet kan worden toegepast op de wijze zoals vermeld in artikel 31,
eerste en tweede lid van deze verordening, kan de afstemming bij
wijze van herziening worden opgelegd over de bijstand welke
belanghebbende heeft ontvangen gedurende, en aansluitend op, de
periode dat belanghebbende afstemmingswaardig gedrag heeft vertoond.
Het bedrag dat als gevolg van de herziening van het recht op
bijstand teveel is betaald, kan van belanghebbende worden
teruggevorderd.
5. Een verlaging wordt voor een bepaalde tijd toegepast of totdat de
belanghebbende de tekortkomingen heeft hersteld. Een verlaging die
voor een periode van meer dan drie maanden wordt toegepast, wordt
uiterlijk na drie maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd door het
college heroverwogen.
Hoofdstuk › Paragraaf
Artikel 31
Ingangsdatum en tijdvak
Onderdeel van Verordening Wet werk en bijstand