1. Het college ziet af van verlaging van de bijstandsuitkering
indien:
a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt;
b. de gedraging meer dan één jaar voor constatering van die
gedraging door het college heeft
plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de
inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die gedraging ten
onrechte bijstand is verleend. Verlaging van de bijstandsuitkering
wegens schending van de inlichtingenplicht vindt niet plaats na
verloop van vijf jaren nadat de betreffende gedraging heeft
plaatsgevonden.
2. Het college kan van verlaging van de bijstandsuitkering afzien
indien zij daarvoor dringende redenen aanwezig acht.
3. Indien het college afziet van verlaging van de bijstandsuitkering
op grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan
schriftelijk mededeling gedaan.
4. Van verlaging van de bijstandsuitkering kan het college afzien en
volstaan met het geven van een
schriftelijke waarschuwing indien de gedraging niet heeft geleid tot
het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand,
tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting
plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de
datum waarop eerder aan de belanghebbende een schriftelijke
waarschuwing is gegeven.
Hoofdstuk › Paragraaf
Artikel 30
Afzien van verlaging van de bijstandsuitkering
Onderdeel van Verordening Wet werk en bijstand