1. Indien een belanghebbende voorafgaand aan of tijdens de
bijstandsverlening een tekortschietend besef van
verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft
betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet, wordt
afhankelijk van de omstandigheden een verlaging toegepast van
maximaal 100 procent van de bijstandsuitkering gedurende één
maand.
2. Onder ‘tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
voorziening in het bestaan’ wordt in ieder geval begrepen het op
onverantwoorde wijze besteden van vermogen, ontslagname of door
eigen toedoen ontslagen worden, het niet tijdig aanvragen van een
voorliggende voorziening, het onvoldoende solliciteren voorafgaand
aan de bijstandsverlening, het doen van een schenking, voorafgaand
aan of tijdens de bijstandsverlening, voorzover bijstandsverlening
redelijkerwijs was te voorzien en het niet of onvoldoende verzekerd
zijn tegen gebruikelijke risico’s, zoals brand, ziekte of wettelijke
aansprakelijkheid.
3. Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van
verantwoordelijkheid voor de
voorziening in het bestaan heeft betoond als bedoeld in artikel 18,
tweede lid, van de
wet, in die zin dat het toegestane verblijf in het buitenland door
belanghebbende is overschreden, wordt een verlaging toegepast van 10
procent van de bijstandsuitkering, gedurende een maand voor elke
week of deel van een week, waarmee het toegestane verblijf in het
buitenland door belanghebbende is overschreden, met een maximum van
3 maanden bij de eerste overschrijding in een kalenderjaar. Bij een
tweede overschrijding binnen een kalenderjaar kan de duur of de
hoogte van de toe te passen afstemming worden verdubbeld.
Hoofdstuk › Paragraaf
Artikel 38
Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Onderdeel van Verordening Wet werk en bijstand