•. Mensen actief mee kunnen doen aan het maatschappelijk leven of aan het werk kunnen gaan;

•. Mensen een inkomen hebben waarmee ze rond kunnen komen;

•. Mensen hun financiën op orde hebben;

•. Mensen een eigen huishouding kunnen voeren en voor zichzelf kunnen zorgen;

•. Mensen een geschikte en schone woonruimte hebben, waarin zij zo lang mogelijk zelfstandig en veilig kunnen wonen; en

•. Kinderen gezond en veilig kunnen opgroeien.