Natura 2000
In Natura 2000 gebieden mogen geen (significant) negatieve effecten optreden op instandhoudingsdoelen voor habitattypen, vogelrichtlijnsoorten en / of habitatrichtlijnsoorten. Effecten kunnen optreden door fysieke aantasting en door verstoring en aanvaringslachtoffers. Natura 2000 gebieden hebben een externe werking. Windturbines in de nabijheid van een Natura 2000 gebied kunnen voor verstoring in een Natura 2000 gebied zorgen. Ook kan bijvoorbeeld leefgebied van vogelsoorten die in Natura 2000 gebied slapen en erbuiten foerageren worden aangetast. Bij initiatieven moet getoetst worden of significante effecten kunnen optreden.
Soortenbescherming
Ruimtelijke ingrepen zoals het plaatsen en exploiteren van kleine windturbines moeten altijd getoetst worden aan Soortenbescherming vanwege de mogelijke aanwezigheid van (leefgebied van) beschermde soorten. Verbodsbepalingen kunnen in de aanleg- en gebruiksfase optreden door het vernietigen van leefgebied, verstoring en /of het doden en verwonden van beschermde soorten. Bij windmolens behoeft het risico op aanvaringslachtoffers onder vogels en vleermuizen aandacht.
Op dit moment is er nog maar weinig bekend over de effecten van kleine windturbines op vogels en vleermuizen. Als verbodsbepalingen worden overtreden, kan een ontheffing alleen worden afgegeven als kan worden onderbouwd dat het voornemen een in de wet genoemd belang dient en er geen reële alternatieven zijn die geen negatieve effecten opleveren.
Onderzoek relatie kleine windturbines en fauna in Groningen
Momenteel vindt in Groningen onderzoek plaats naar het effect van KWT’s op vogels en vleermuizen. Het effect van kleine windturbines op vleermuizen is nog niet duidelijk. Binnen de pilot kwamen vleermuizen, zoals Gewone dwergvleermuis en Ruige dwergvleermuis binnen de risicozone van kleine windmolens voor. Daardoor zouden aanvaringsslachtoffers kunnen vallen.
Het effect op boerenlandvogels is nog onvoldoende inzichtelijk. Soorten met verhoogd risico voor aanvaringsslachtoffers zijn: boerenzwaluw, huiszwaluw en spreeuw, putter, gierzwaluw, houtduif, holenduif, torenvalk, zilvermeeuw, kokmeeuw en zwarte kraai. De kans op effecten op de populatie voor torenvalk is het grootst, gevolgd door spreeuw. De grootste aantallen aanvaringsslachtoffers zijn te verwachten bij boerenzwaluw en huiszwaluw. Voor vleermuizen en benoemde vogels is geen verschil in effecten te verwachten binnen de verschillende landschapstypes. De genoemde soorten komen voor in diverse landschapstypes en zijn vooral gebonden aan boerenerven met bijbehorende beplanting. Het monitoringsonderzoek is opgeschaald en zal naar verwachting eind 2023 worden afgerond. De laatste tussenresultaten zijn redelijk positief en wijzen op alleen incidentele aanvaringsslachtoffers.
Aanvaringsslachtoffers bij windturbines
Vanwege verschillen in omvang, hoogte en rotatie lopen bij grote windturbines vooral trekvogels (ook ganzen en eenden) gevaar op aanvaring, terwijl dit bij kleine windturbines vooral zal gelden voor broedvogels. Bij vleermuizen zijn er soorten die zowel voor grote als ook voor kleine windturbines kwetsbaar zijn (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis, vooral ’s nachts van april tot november). Van de in de regio Zaanstreek – Waterland voorkomende meervleermuis is bekend dat die vooral boven water vliegt en foerageert en niet langs verticale elementen vliegt. Door de hogere rotatiefrequentie van de wieken van een KWT wordt er van uitgegaan dat deze beter als object waargenomen kan worden dan langzaam draaiende wieken en er daardoor voor zowel vogels als vleermuizen minder gevaar voor aanvaring bestaat.
Preventieve maatregelen
Preventieve maatregelen zoals pieptonen of installaties met bepaalde frequenties zijn niet bekend en worden niet geacht effect te hebben voor het verminderen van aanvaringsslachtoffers. In
Scandinavië loopt er bij grote windturbines een pilot over het zwart verven van één wiek. Daar vielen bij grote windturbines grote aantallen slachtoffers van zeearenden. Het zwarte rotorblad leidde tot een reductie van 80-90% aanvaringsslachtoffers voor deze soort.
Figuur 3.1 Natura 2000 en NNN gebieden
De vraag is echter of het effect op een reductie van de aanvaringsslachtoffers van andere soorten vogels op kleine windturbines vergelijkbaar is met deze proef.
Figuur 3.2 Natura 2000 beschermingsregimes bestaande uit Habitatrichtlijngebied, Vogelrichtlijngebied en een combinatie van beide
Voor grote windturbines is stilstand verplicht wanneer het aantal slachtoffers 1% van de natuurlijke sterfte van de totale populatie overschrijdt, bijvoorbeeld voor trekvogels op trekroutes tussen noord en zuid Europa tijdens de voorjaars- of najaarstrek. Toegepast op kleine windturbines zou een stilstandsvoorziening dus vooral tijdens het broedseizoen van maart t/m juli en overdag aanvaringsslachtoffers bij broedvogels kunnen voorkomen. Het is nog onduidelijk en soort specifiek welke populaties, zoals landelijk of lokaal, als referentie gehanteerd kunnen worden.
Conclusie
Het stil zetten van kleine windturbines overdag in het broedseizoen lijkt opbrengst-technisch een te grote maatregel.
Beschermde houtopstanden
Binnen het werkingsgebied voor provinciaal beschermde houtopstanden volgens de OVNH2022 (meestal buiten de bebouwde kom) leidt het kappen van bomen (op enkele uitzonderingen na) tot herplantplicht als er sprake is van bossen met een oppervlakte van meer dan 10 are en bomenrijen van meer dan 20 bomen. Het kappen van bomen die deel uitmaken van een boskern of oude bosgroeiplaats of het niet kunnen voldoen aan voorwaarden voor herplant, kan ontheffingsplichtig zijn.
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Voor initiatieven in het NNN geldt het ‘Nee, tenzij’ principe. Initiatieven zijn niet toegestaan, tenzij wezenlijke kenmerken en waarden niet worden aangetast of als deze kunnen worden gecompenseerd. Dit mag alleen als kan worden aangetoond dat er sprake is van een groot openbaar belang en er geen reële alternatieven zijn die de wezenlijke waarden en kenmerken niet aantasten. In het Natuurnetwerk Nederland (NNN) gaat in de OVNH2022 een ‘meerwaardebepaling’ gelden. De saldobenadering vervalt. Het NNN mag zowel volgens de oude als nieuwe benadering niet kleiner worden en de samenhang ervan mag niet verminderen. Binnen het NNN liggen geen erven.
Conclusie
Kleine windturbines kunnen buiten NNN geplaatst worden als een natuurtoets uitwijst dat beschermde natuurwaarden niet worden aangetast. Een natuurtoets moet altijd worden uitgevoerd. Er is tot nu binnen Noord-Holland geen onderzoek bekend omtrent aanvaringsslachtoffers tussen kleine windturbines en lokale fauna.
Hoofdstuk 3
Artikel 3.1
Natuurwetgeving en -beleid
Onderdeel van Beleidskader kleine windturbines Zaanstreek – Waterland