Naar hoofdinhoud

Artikel 3.2

Categorieën van gedragingen

Onderdeel van Beleidsregel beoordeling levensgedrag

Bij de beoordeling van het levensgedrag worden in de eerste plaats die gedragingen meegewogen die relevant zijn voor de aangevraagde of verleende vergunning. Uitgangspunt daarbij is dat de vergunning gebruikt moet kunnen worden op een wijze die geen gevaar oplevert voor de veiligheid, openbare orde of het woon- en leefklimaat. Voor een Alcoholwetvergunning en de aanwezigheidsvergunning komt daar ook bij dat er geen gevaar en/of gezondheidsrisico’s ontstaan door de alcoholverstrekking en de kansspelautomaat. Voor het beoordelen van het levensgedrag zijn in ieder geval de volgende categorieën gedragingen relevant: geweldstoepassing; drugsfeiten (Opiumwet) en feiten omtrent onrechtmatige handel in geneesmiddelen; wapenbezit/gebruik; overtredingen van de Alcoholwet, Wet op de kansspelen of van de relevante bepalingen van de APV; overtredingen van helingverboden; valsheid in geschrift, zowel kennelijk gepleegd in de uitoefening van een openbare inrichting dan wel ter verkrijging van een vergunning; gedragingen waaruit blijkt dat tijdens de exploitatie gevreesd moet worden dat aanwijzingen van politie of toezichthouders niet nageleefd zullen worden (bijv. negeren bevel ambtenaar in functie, belediging ambtenaar in functie); discriminatie; zedendelicten; mensenhandel, witwaspraktijken, sociale zekerheidsfraude, arbeidsuitbuiting en fraude met arbeid gerelateerde subsidies, indien en voor zover deze gedragingen kennelijk gepleegd zijn in de exploitatie van een openbare inrichting of gerelateerd zijn aan de exploitatie van een openbare inrichting; gedragingen die hebben geleid tot opgelegde bestuurlijke of handhavingsmaatregelen met betrekking tot een openbare inrichting, tenzij deze maatregelen op geen enkele wijze aan de te beoordelen persoon (in bestuursrechtelijke zin) zijn te verwijten; ordeverstoringen; lidmaatschap van een verboden organisatie; lidmaatschap van een criminele organisatie. Van personen die betrokken zijn geweest bij deze gedragingen moet worden gevreesd dat zij niet op verantwoorde wijze leiding kunnen geven aan of een openbare inrichting kunnen exploiteren. Bij de beoordeling van het levensgedrag geldt dat andere dan de hiervoor genoemde categorieën van gedragingen enkel worden meegewogen bij de beoordeling van het levensgedrag, voor zover daaruit een zeker patroon ter bevestiging van het slechte levensgedrag valt af te leiden. Het moet daarbij gaan om een recidiverend karakter van bepaalde gedragingen dan wel het schenden van regels in algemene zin al dan niet gedurende een langere periode, waardoor de betrokken gedragingen niet meer op zichzelf staan, maar in combinatie voldoende ernstig zijn om te kunnen worden betrokken bij het levensgedrag. Door deze beleidsregels en de hiervoor gegeven opsomming wordt ook voldaan aan het ‘evidentievereiste’. Voor betrokkenen, die kennis kunnen nemen van deze beleidsregels, is tenslotte vooraf kenbaar door welke relevante feiten en omstandigheden zij niet (langer) kunnen voldoen aan de eis dat zij niet in enig opzicht van slecht levensgedrag mogen zijn.

Rechtspraak bij dit artikel