De gedragingen die worden meegewogen bij de beoordeling omtrent het levensgedrag moeten aannemelijk zijn. Daarvoor is niet vereist dat iemand (onherroepelijk) is veroordeeld wegens een strafbaar feit door de strafrechter. Ook de hoogte van een eventueel opgelegde straf is niet relevant.
Ook indien een persoon niet is vervolgd door het Openbaar Ministerie of sprake is van een sepot, kunnen de gedragingen meegewogen worden, zelfs als sprake is van vrijspraak1zie Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State 8 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1958. ro 6.1. De beoordeling vindt immers plaats in een bestuursrechtelijk kader en daarin gelden de strafrechtelijke bewijsregels niet. Indien een bepaalde gedraging niet tot een strafrechtelijke veroordeling heeft geleid, betekent dat dus niet dat deze gedraging niet heeft plaatsgevonden. Het kan namelijk dat er onvoldoende bewijs is om strafrechtelijk te kunnen vervolgen, maar dat de feiten en omstandigheden redelijkerwijs doen vermoeden of aannemelijk maken dat de betrokkene bepaalde gedragingen heeft begaan.
Artikel 3.3
Aannemelijkheid gedragingen die worden meegewogen
Onderdeel van Beleidsregel beoordeling levensgedrag