Naar hoofdinhoud

Artikel 3.4

Tijdsverloop gedragingen die worden meegewogen

Onderdeel van Beleidsregel beoordeling levensgedrag

In beginsel worden bij de beoordeling enkel gedragingen meegewogen die in een periode van vijf jaar voorafgaand aan het beoordelingsmoment hebben plaatsgevonden. Een (her)beoordeling omtrent het levensgedrag kan ook plaatsvinden nadat een vergunning is afgegeven, omdat er signalen zijn dat er sprake is van slecht levensgedrag. Indien wordt beoordeeld dat sprake is van slecht levensgedrag, kan dit leiden tot intrekking van de verleende vergunning. Wanneer sprake is van een patroon, kunnen ook gedragingen of veroordelingen die langer dan vijf jaar voorafgaand aan het besluit hebben plaatsgevonden in de beoordeling worden betrokken. Bij de berekening van de periode van vijf jaar gelden de volgende uitgangspunten: De periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of voorlopige hechtenis is ondergaan wordt opgeteld bij de vijf jaar. De datum van het primaire besluit op de aanvraag van de vergunning, de tussentijdse bijschrijving van een exploitant en/of leidinggevende of intrekking van de vergunning is de peildatum voor het vaststellen van de periode van vijf jaar. Indien er zich in de afgelopen vijf jaar meer dan één (strafbare) feiten hebben voorgedaan, wordt verder teruggekeken om te bezien of er sprake is van een patroon. Dit ter onderbouwing voor de beoordeling van het slecht levensgedrag. Ook (strafbare) feiten gepleegd als minderjarige worden bij de beoordeling betrokken. Bij de beoordeling speelt de leeftijd waarop het feit is gepleegd, de ernst van het feit en de ontwikkeling op latere leeftijd een rol.

Rechtspraak bij dit artikel