Naar hoofdinhoud

Artikel 1

Begripsbepalingen

Onderdeel van Verordening op de speelautomaten 1994

Voor de toepassing van deze verordening worden de volgende begrippen gehanteerd: de wet: de Wet op de kansspelen; speelautomatenbesluit: Koninklijk Besluit van 24 november 1986, staatsblad 589; speelautomaat: een toestel, ingericht voor de beoefening van een spel, dat bestaat uit een door de speler in werking gesteld mechanisch of electronisch proces, waarbij het resultaat kan leiden tot de middellijke of onmiddellijke uitkering van prijzen of premies, daaronder begrepen het recht om gratis verder te spelen; behendigheidsautomaat: een speelautomaat waarvan: het spelresultaat uitsluitend kan leiden tot een verlengde speelduur of het recht op gratis spelen, en het proces, ook nadat het in werking is gesteld, door de speler kan worden beïnvloed en het geheel of vrijwel geheel van zijn inzicht en behendigheid bij het gebruik van de daartoe geboden middelen afhangt of in welke mate de speelduur verlengd of het recht op gratis spelen verkregen wordt; kansspelautomaat: een speelautomaat die geen behendigheidsautomaat is; vergunning: een vergunning zoals bedoeld in artikel 30d van de Wet op de kansspelen; laagdrempelige inrichting: een inrichting in de zin van artikel 30c, lid 1, onder sub a. en sub b. van de Wet op de kansspelen, die het publiek niet op de eerste plaats pleegt te bezoeken voor het nuttigen van alcoholhoudende drank, maar voor andere doeleinden als bijvoorbeeld etenswaren, recreatie en sport; hoogdrempelige inrichting: een inrichting als bedoeld in artikel 30c, lid 1, onder sub a. en sub b. van de Wet op de kansspelen, waar het café- c.q. restaurantbezoek op zichzelf staat en geen onderdeel is van andere laagdrempelige activiteiten, met dien verstande dat een restaurant met een afhaalgedeelte zonder onderlinge afscheiding wordt aangemerkt als een laagdrempelige inrichting.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel