Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4:

Artikel 29.

Begroting

Onderdeel van Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Utrecht

1.. Het dagelijks bestuur zendt uiterlijk 30 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders aan de raden en provinciale staten. 2.. De raden en de provinciale staten worden in de gelegenheid gesteld om binnen een termijn van tenminste 8 weken een zienswijze in te dienen op de algemene financiële en beleidsmatige kaders bij het dagelijks bestuur. Het dagelijks bestuur verwerkt de reactie op de zienswijzen in de ontwerpbegroting. 3.. De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de colleges voor een ieder ter inzage gelegd en tegen betaling van kosten algemeen verkrijgbaar gesteld. De terinzagelegging en verkrijgbaarstelling geschiedt bij openbare kennisgeving. 4.. De vaststelling van de begroting door het algemeen bestuur, zoals bedoeld in artikel 58, eerste lid van de wet, geschiedt niet eerder dan 12 weken nadat de ontwerpbegroting aan de raden en provinciale staten is verzonden, voorafgaand aan het jaar waarvoor deze dient. De begroting is vastgesteld wanneer een drie vierde meerderheid voor vaststelling heeft gestemd. 5.. De raden en de provinciale staten worden in de gelegenheid gesteld om binnen een termijn van 12 weken hun zienswijze op de ontwerpbegroting kenbaar te maken. 6.. Het dagelijks bestuur stelt de raden en provinciale staten voorafgaande aan het vaststellen van de begroting schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het vijfde lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. 7.. Na vaststelling van de begroting zendt het algemeen bestuur de begroting aan de raden en provinciale staten, die ter zake bij de minister hun zienswijze naar voren kunnen brengen. 8.. Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na vaststelling, maar in ieder geval vóór 15 september aan de minister. 9.. Besluiten tot wijziging van de begroting worden door het algemeen bestuur met een drie vierde meerderheid genomen. Besluiten tot wijziging van de begroting kunnen tot uiterlijk het eind van het desbetreffende begrotingsjaar worden genomen. 10.. Bij wijzigingen van de begroting wordt de procedure voor vaststelling van de begroting gevolgd. Raden en provinciale staten worden in de gelegenheid gesteld zienswijze in te dienen overeenkomstig het vijfde lid, tenzij het elfde lid van toepassing is. 11.. Het bepaalde in het derde, vierde, vijfde, zesde, zevende en achtste lid is niet van toepassing op wijzigingen van de begroting voor zover daaruit geen verhoging van de bijdragen van de colleges voortvloeit. Het dagelijks bestuur zendt de gewijzigde begroting binnen vier weken na vaststelling aan de minister.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel