Een hulpvraag kan door of namens een inwoner bij het college worden gemeld.
De melding wordt door het college geregistreerd.
Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk, waarbij ook het doel van het onderzoek wordt toegelicht, relevante informatie wordt gegeven en er wordt geattendeerd op de mogelijkheid om inwoners te laten bijstaan door een naaste of een onafhankelijke cliëntondersteuner.
Het college verzamelt alle voor het onderzoek van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de inwoner en zijn situatie.
Het college brengt de inwoner op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen.
Het college wijst de inwoner en zijn mantelzorger vóór het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015, op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.
Voor het onderzoek verschaft de inwoner het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De inwoner verstrekt in ieder geval een identificatiedocument ter inzage.
Als de inwoner genoegzaam bekend is bij de gemeente, kan het college in overeenstemming met de inwoner afzien van een vooronderzoek.
In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding zo spoedig mogelijk een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek als bedoeld in artikel 5.
Bij spoedeisende gevallen is altijd sprake van maatwerk.
Het college kan in spoedeisende gevallen beoordelen of een inwoner voorrang krijgt op een voorziening.
Hoofdstuk 1
Artikel 2.
De melding en het vooronderzoek
Onderdeel van Nadere regels maatschappelijke ondersteuning West Maas en Waal 2025