De Wet aanpak woonoverlast maakt het mogelijk dat aan gebruikers en verhuurders van een woning of bij de woning behorend erf die ernstige en herhaaldelijke hinder veroorzaken door de burgemeester een gedragsaanwijzing kan worden opgelegd. Aan de in de wet- en regelgeving gehanteerde begrippen wordt als volgt invulling gegeven:

Andere geschikte wijze (artikel 151d, tweede lid, Gemeentewet)

De burgemeester legt pas een gedragsaanwijzing, in de zin van artikel 2:79 APV, op indien de overlast niet op een ‘andere geschikte wijze’ tegengegaan kan worden. Een andere geschikte wijze moet in de zin van het subsidiariteitsbeginsel worden opgevat. Het subsidiariteitsbeginsel bepleit dat er, indien dit mogelijk is, andere minder ingrijpende mogelijkheden zijn geprobeerd. Voorbeelden van minder ingrijpende mogelijkheden zijn: mediation, het geven van een waarschuwing of een andere maatregel die als doel heeft de beëindiging van de overlast. De mogelijkheden die in een concreet geval van toepassing zijn zullen uiteraard per geval kunnen verschillen. In de bijlage zijn enkele mogelijkheden opgesomd. Op het moment dat de burgemeester van mening is dat alle mogelijkheden onvoldoende soelaas bieden (hetgeen zal moeten blijken uit het dossier), legt hij de gedragsaanwijzing op. De gedragsaanwijzing, gegeven door de burgemeester, geldt dus als ultimum remedium.

Woning of een bij die woning behorend erf (artikel 2:79, eerste lid, APV)

Met woning of bij die woning behorend erf wordt bedoeld de woning, de rest van het betrokken perceel (zoals een tuin) en de gezamenlijke ruimte binnen een wooneenheid zoals het portiek, de parterretrap, de gezamenlijke buitenruimte, enzovoorts.

Gebruiker van de woning of bijbehorend erf (artikel 2:79, eerste lid, APV)

Onder degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt wordt verstaan de gebruiker van de woning. De gebruiker hoeft geen huurrechtelijke of eigendomsrechtelijke relatie tot de woning te hebben en hoeft niet de rechtmatige bewoner van de woning te zijn. Ook een regelmatige gast, een illegale onderhuurder of een kraker van de woning valt onder dit bestanddeel.

Degene die een woning of een bij die woning behorend erf tegen betaling in gebruik geeft (artikel 2:79, eerste lid, APV)

Onder degene die een woning of een bij die woning behorend erf tegen betaling in gebruik geeft wordt verstaan diegene die een tegen betaling verhuurt aan iemand die de woning gebruikt. Dus bijvoorbeeld een woningeigenaar die zijn of haar huis verhuurt. In deze gevallen krijgt dus niet (alleen) de gebruiker van de woning en/of het erf een gedragsaanwijzing, maar ook de verhuurder.

Gedragingen (artikel 2:79, eerste lid, APV)

Met gedragingen in of vanuit die woning of dat erf worden bedoeld gedragingen die in of rondom de woning of het erf worden gepleegd. Het gaat om de woning die, of het erf dat, de overlastgever gebruikt. De gedragingen die worden gepleegd in de nabije omgeving van de woning, bijvoorbeeld in de tuin van de buren, vallen in beginsel onder de bepaling. Zo kan een blaffende hond op de straat voor de woning of een intimiderende gedraging voor de deur van de woning van de buurman vallen onder het bestanddeel gedragingen in of vanuit die woning of dat erf. Duidelijk moet in ieder geval zijn dat de gedragingen vanuit de woning of het erf worden gepleegd. Het intimiderende gedrag van de overlastpleger moet dus wel voor de deur van de buurman worden gepleegd, niet voor de deur van iemand die vijf straten verderop woont. Dan is geen sprake meer van gedragingen vanuit de woning of het erf.

Zorgplicht (artikel 2:79, eerste lid, APV)

In de APV is bepaald dat degene die een woning of erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft, er zorg voor moet dragen dat er geen gedragingen plaatsvinden die tot ernstige en herhaaldelijke hinder impliceren.

In de aanpak van complexe woonoverlast is de verhuurder een belangrijke ketenpartner. Samen met de verhuurder, de politie en zorgaanbieders wordt ernstige en herhaaldelijke hinder vanuit een woning en/of erf gestopt door de inzet van de beschreven instrumenten. De verhuurder moet ervoor zorgen dat er geen ernstige en herhaaldelijke hinder wordt veroorzaakt voor omwonenden. Wanneer er niet aan deze zorgplicht wordt voldaan, omdat de verhuurder zich niet of op een verkeerde manier inzet tegen ernstige en herhaaldelijke hinder, kan de burgemeester aan een verhuurder gedragsaanwijzing opleggen.

De burgemeester kan direct een verhuurder aanspreken en hoeft daarvoor niet eerst de huurder te hebben aangesproken. Dit kan wenselijk zijn wanneer verschillende huurders van dezelfde verhuurder hinder hebben veroorzaakt. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn in panden waar meerdere huurders wonen of waar huurders snel wisselen. Ondanks dat deze mogelijkheid bestaat is er in deze situaties ook altijd een aanpak op de overlastgever, naast de inzet op de verhuurder.

Omwonenden (artikel 2:79, eerste lid, APV)

Met omwonenden wordt bedoelt de mensen die in de directe nabijheid wonen van de woningen waarvandaan de overlast plaatsvindt.

Ernstige en herhaaldelijke hinder (artikel 2:79, eerste lid, APV)

Met ernstig worden gehinderd wordt gedoeld op ernstige hinder voor de omwonenden, die zo ingrijpend is dat het, het normale woongenot of de leefbaarheid van omwonenden aantast. Het gaat dus niet om eenmalig of klein ongemak, maar om verstoring die duidelijk merkbaar, aanhoudend en moeilijk te negeren is.

Met herhaaldelijke hinder wordt bedoelt dat de hinder zich telkens opnieuw voordoet en gedurende langere tijd blijft bestaan, ondanks interventies die zijn ingezet. Dit is niet hetzelfde als ‘ernstige hinder zonder onderbreking’. De burgemeester zet geen gedragsaanwijzing in als het om één incident gaat.

Een vergelijking kan worden gemaakt met artikel 37 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, waaronder hinder gedragingen worden verstaan zoals het verspreiden van rumoer, trillingen, stank, rook of gassen of het onthouden van licht of lucht. Ernstige hinder als bedoeld in artikel 151d van de Gemeentewet kan tevens onrechtmatig zijn in de zin van artikel 5:37 van het Burgerlijk Wetboek, maar dat is geen vereiste. En andersom zal niet elke onrechtmatige burenhinder ook automatisch kunnen worden aangemerkt als ernstige hinder als bedoeld in artikel 151d van de Gemeentewet.

Last onder bestuursdwang of last onder dwangsom (artikel 2:79, tweede lid, APV)

De burgemeester is bevoegd om een last onder bestuursdwang of last onder dwangsom op te leggen. Dit mag alleen opgelegd worden indien de hinder redelijkerwijs en niet op een andere manier kan worden tegengegaan. Op grond van artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan (in dit geval de burgemeester) dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen ook een last onder dwangsom opleggen.

Tijdelijk huisverbod (artikel 151d, derde lid, Gemeentewet)

De burgemeester zal per geval maatgericht te werk gaan. Mocht deze ‘maatwerkaanpak’ niet werken dan kan overgegaan worden tot sluiting van de woning. Het uitvaardigen van een tijdelijk huisverbod is als gedragsaanwijzing een ultimum remedium. De periode waarin betrokkene uit huis is geplaatst kan worden benut om te onderzoeken welke hulpverlening mogelijk en/of nodig is.

Uitvoerbaarheid van de last

Het moet in het vermogen van betrokkene liggen om de gedragsaanwijzing te begrijpen en te kunnen uitvoeren. Het heeft immers geen zin om een persoon met psychische klachten en/of een verstandelijke beperking een gedragsaanwijzing op te leggen als die persoon niet bij machte is hieraan gehoor te geven.

Bij personen met psychische klachten en/of een verstandelijke beperking is het belangrijk het wijkteam en/of de 2e lijn zorg te betrekken. Gezamenlijk kan worden beoordeeld of er rekening moet worden gehouden met eventuele beperkingen bij het opleggen van een gedragsaanwijzing.