Over de ruimtelijke afwegingen voor wonen schrijft het regionale beleid:
Gemeentelijke uitwerking:
Ruimtelijke afwegingen locaties functieveranderingswoningen
Om te werken aan de omgevingskwaliteit van het landelijk gebied maken gemeenten strategische- en landschappelijke keuzes. Zo ook gebieden waar functieveranderingswoningen wel of niet gewenst zijn. Het kan voorkomen dat het toevoegen van meerdere woonvolumes ruimtelijk aanvaardbaar is. Of dat in bepaalde gebieden waar slooplocaties liggen het toevoegen van woonvolume(s) ruimtelijk of anderszins niet aanvaardbaar of gewenst is. Bijvoorbeeld door de aanwezige ecologische- landschappelijke of cultuurhistorische waarden. We nodigen gemeenten dan ook uit om hiervoor een ruimtelijke afweging te maken.
Gemeenten kunnen functieveranderingswoningen elders toestaan. Dit zijn aangewezen gebieden waar doorontwikkeling naar de functie Wonen ruimtelijk aanvaardbaar is. Deze gebieden hebben meer draagkracht, bijvoorbeeld in de dorpsranden of de buurtschappen. Hierop zijn de mogelijkheden en voorwaarden vanuit het functieveranderingsbeleid ook van toepassing.
We nodigen gemeenten uit om hiervoor een uitwerking te maken. Denk bij het opstellen van een dergelijk kader aan een ruimtelijke afweging voor ontwikkellocaties aan de onderstaande mogelijkheden:
door de gemeenten aangewezen locaties (bijvoorbeeld dorpsrandzones of gebieden met overwegend woonfuncties);
bestaande bebouwingsclusters of ~linten (bijvoorbeeld buurtschappen); en
op eigen erf (bijvoorbeeld alleen inzet eigen sloopmeters).
Om iets te zeggen over de wenselijkheid van woningen op locaties gebruiken we twee methoden die beiden op een kaart zijn weergegeven. De ene methode kijkt naar bedrijven die blijven en de andere gebruikt een zonering.
Wonen 1: Zonering rondom bestaande agrarische bedrijven
Tenzij een locatie of situatie uitzonderlijk is willen we géén functieveranderingen naar wonen binnen een straal van 75 meter van het erf van een bestaand agrarisch bedrijf. Als dat betekent dat niet (precies) op eigen erf kan worden gebouwd willen we daar in principe aan meewerken.
Met functieveranderingen naar wonen wordt hier bedoeld; het toevoegen van woningen, ook wel ‘compensatiewoningen’ genoemd. Dat is wat anders dan de woning die bij het voormalige boerenbedrijf hoort en er al staat. Met die bestaande agrarische bedrijfswoning moet sowieso wat gebeuren. Als het bedrijf er niet meer is, is er namelijk ook geen sprake meer van een bedrijfswoning. Deze woning mag een ‘normale’ woning worden. Dat mag altijd bij een functieverandering.
Met het erf van een bestaand agrarisch bedrijf bedoelen we het bouwvlak van het agrarische bedrijf. Het bouwvlak is in onze gemeente altijd gelijk aan het bestemmingsvlak. Milieu- en hinderafstanden (de cirkel waarbinnen een bepaalde functie op grond van de wet niet mag) worden vaak berekend van de gevel van een woning tot de gevel van een stal. Daarmee kan de situatie ontstaan dat uitbreidingsruimte voor een boerderij verdwijnt. De gevel van de stal mag na het bouwen van de compensatiewoning namelijk niet dichterbij komen. De afstand van 75 meter wordt dus gemeten vanaf de dichtstbijzijnde grens van het vlak waarmee de functie ‘wonen’ is aangewezen tot de dichtstbijzijnde grens van het vlak waarmee de functie ‘agrarisch – bedrijf’ is aangewezen. Hier is dus sprake van een bovenwettelijke eis. Die stellen we om bestaande agrarische bedrijven te beschermen.
Met niet (precies) op eigen erf bedoelen we dat we openstaan voor het verschuiven van het bouwvlak. Als er geen, of niet genoeg, plekken zijn op het voormalige bouwblok van de boerderij die stopt op een afstand die groot genoeg is, dan kan het bouwvlak opschuiven.
We willen ook rekening houden met agrarische bedrijven die gevestigd zijn buiten de gemeente Scherpenzeel. Ook bij die bedrijven willen we geen nieuwe woningen binnen een afstand van 75 meter.
Figuur 4: Zonering rondom bestaande agrarische bedrijven
(doelen: 1, 2, 3, 4, 5 en 6)
Wonen 2: Zonering rondom bestaande niet agrarische bedrijven
Tenzij een locatie of situatie uitzonderlijk is willen we géén functieveranderingen naar wonen binnen de grootste richtafstand voor milieu bij andere dan agrarische bedrijven.
In het buitengebied komen ook andere dan agrarische bedrijven voor. Ook deze bedrijven kunnen in hun bedrijfsvoering worden gehinderd door woningen. Problemen rondom uitbreiding spelen hier minder een rol. Voor alle andere bedrijven is namelijk in het omgevingsplan bepaald hoeveel oppervlakte mag worden bebouwd, waar een agrarisch bedrijf binnen het bestemmingsvlak in theorie onbeperkt bouwmogelijkheden heeft.
De systematiek voor bescherming is bij andere bedrijven is ook anders. Bij agrarische bedrijven is (bijna) altijd geur bepalend. Bij andere bedrijven kan dat ook bijvoorbeeld gevaar of geluid zijn. Voor die bedrijven is de systematiek van de ‘bedrijven en milieuzonering’ leidend. Daaruit volgt een grootste hinderafstand (50, 100 of 200 meter bijvoorbeeld). Soms kan die afstand worden gehalveerd. We willen in principe alleen geen nieuwe woningen binnen deze afstand.
Ook hier houden we rekening met de afstand tot niet-agrarische bedrijven die niet in de gemeente Scherpenzeel gevestigd zijn.
Figuur 5: Zonering rondom bestaande bedrijven (in het buitengebied)
(doelen: 1, 3 en 5)
Figuur 5.1 Zonering rondom bestaande agrarische en niet-agrarische bedrijven (in het buitengebied)
Wonen 3: Kansrijke en minder kansrijke gebieden
Binnen de kansrijke gebieden is een functieverandering naar wonen eerder denkbaar dan daarbuiten en daarbinnen zijn meer woningen (dan twee) eerder denkbaar.
Met functieverandering naar wonen wordt hier bedoeld het bouwen van compensatiewoningen. De bestaande agrarische bedrijfswoning kan een reguliere woning worden. Bij voorkeur een voormalige bedrijfswoning.
De kansrijke gebieden voor wonen zijn hieronder op een kaart weergegeven. De grens op de kaart is geen harde grens maar een indicatie.
We hebben deze kaart opgenomen om een idee te geven van waar nieuwe woningen zouden kunnen komen (doelen 1 en 2). Daarbij is rekening gehouden met:
De afstand van een woning tot voorzieningen, zoals sport of een supermarkt; (doel 4)
Gebieden met concentraties aan (intensieve) veehouderij; (doel 4 en 5)
Landschappelijk waardevolle gebieden en de openheid van het buitengebied (doel 3)
Figuur 6: Zonering kansrijke en minder kansrijke gebieden voor wonen
(doelen: 1, 2, 3, 4, 5 en 6)
Hoofdstuk 2. › Paragraaf 2.2
Artikel 2.2.1
Waar is wonen een geschikte functie?
Onderdeel van Scherpenzeelse uitwerking Vrijkomende Agrarische Bebouwing