Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2. › Paragraaf 2.2

Artikel 2.2.2

Wat voor woningen zijn geschikt bij een functieverandering?

Onderdeel van Scherpenzeelse uitwerking Vrijkomende Agrarische Bebouwing

Dit wordt met een duur woord ook wel ‘woningdifferentiatie’ genoemd. Uit het verleden blijkt dat in het buitengebied vaak grote vrijstaande woningen worden gebouwd. Het regionale beleid schrijft hierover: Woningdifferentiatie stimuleren Gebaseerd op de ervaring van de afgelopen jaren zien we dat veelal vrijstaande woningen en woongebouwen gebouwd zijn. Echter de vraag naar andere woonvormen kan per gebied of gemeente anders zijn. Op basis van de rekenregels is het voor gemeenten mogelijk om met een afwijkende sloopmetereis andere typologieën te stimuleren. Denk hierbij aan rug-aan-rug woningen, drie/vier-kappers of erfdelen (een collectief erf met verschillende woonvormen op een voormalige agrarische functie). Ook denkbaar is het dat gemeenten actief sturen op woonvormen. Bijvoorbeeld wanneer er behoefte is aan betaalbare starterswoningen. Dan zouden minder sloopmeters ingezet kunnen worden om deze te realiseren. Uit het woonbehoefteonderzoek dat door Stecc is uitgevoerd voor de regio FoodValley blijkt dat slechts 21% van de behoefte aan woningen een behoefte aan ‘Dure koop (vanaf 390.000 euro)’ is. Het bouwen van dure woningen (in het buitengebied) betekent vaak bouwen voor mensen buiten de regio.7 ‘Woningbehoefteonderzoek regio Foodvalley’ Stec Groep, scherpenzeel.bestuurlijkeinformatie.nl ID 845, nummer 202456 datum 27-11-2024, bijlage 1. Desalniettemin zijn woningen in het buitengebied, ongeacht hun grootte, vanwege de ligging vaak al duurder dan woningen binnen het dorp. Echt goedkoop bouwen is daarom moeilijk. Toch wil de gemeente, aanvullend op het regionale beleid, goedkopere woningen stimuleren. Wonen 5: Aangepaste regeling voor sloopmeters Daarvoor maken we het mogelijk om binnen dezelfde inhoud (1.000 m3), en in hetzelfde woongebouw, méér woningen dan twee te realiseren. Daarvoor houden we dezelfde kosten in sloopmeters aan als voor de eerste twee woningen. Een eventuele derde of vierde woning kost dus telkens weer 300 m2 aan sloopmeters voor het woonrecht. De kosten per kuub (1,5 sloopmeter) blijven gelijk. In principe werken we mee aan 4 woningen in één woongebouw maar in bijzondere gevallen zijn meer woningen mogelijk. Deze worden dan wel erg klein. We vinden het belangrijk dat de footprint vergelijkbaar blijft. Er mag dus niet per woning een grote tuin ontstaan. We blijven bij het uitgangspunt van het regionale beleid dat sprake moet zijn van een compact erf. Een vergelijkbare footprint is belangrijk omdat dit de meest in het oog springende eigenschap van een gebouw is. Of er 2 of meer voordeuren in een gebouw zitten is niet altijd direct zichtbaar maar de afbakening tussen wat tuin is en wat een akker of weide is, is vaak wel goed zichtbaar. In het algemeen is geen oppervlaktemaat te geven voor hoe groot een erf of footprint mag zijn maar uitganspunt, net als in het regionale beleid, is dat erven compact zijn. Dat betekent ook dat hoe meer wooneenheden in een gebouw zitten, hoe kleiner de bijbehorende tuinen zijn en dat sommige voorzieningen moeten worden gedeeld. Denk daarbij aan een gezamenlijke parkeerplaats of groenvoorziening. We willen altijd dat bebouwing past in het buitengebied. Daarvoor is de Nota Ruimtelijke Kwaliteit (de welstandsnota) leidend. Zeker bij een woongebouw met meer dan 2 wooneenheden willen we dit in een vorm die past bij het buitengebied, zoals (het uiterlijk van) een schuur. Het bouwen van kleinere woningen, zeker voor de verhuur, kan een uitdaging zijn. Waar dit kansrijk is wil de gemeente het gesprek tussen de initiatiefnemer en de lokale woningcorporatie (Woonstede) faciliteren. (doel: 3 en 5)

Rechtspraak bij dit artikel