Reserves worden ingesteld, bijgesteld of opgeheven, op voorstel van het college, door de raad. Een deugdelijke onderbouwing moet van deze voorstellen onderdeel uitmaken.
Bij een voorstel voor de instelling van een bestemmingsreserve wordt minimaal aangegeven:
Het specifieke doel van de reserve.
De voeding van de reserve.
De maximale hoogte van de reserve.
De maximale looptijd.
Zodra de maximale looptijd is verlopen valt de bestemmingsreserve vrij en wordt deze aan de algemene reserve toegevoegd.
De reserves worden jaarlijks bij zowel begroting als jaarrekening gescreend en het bestedingsplan wordt hierbij geactualiseerd.
In de begroting en in de jaarrekening worden de reserves toegelicht en verantwoord met:
Inzicht in doel, maximale hoogte, maximale looptijd, het verloop in en de stand van zaken van de afzonderlijke reserves.
Belangrijke verwachte ontwikkelingen en het gevolg hiervan op het verloop van de reserves.
Jaarrekeningresultaten worden verrekend met de algemene reserve(s) en bestemmingsreserve(s) (onder andere de exploitatie- en investeringsreserve). Afwijkingen van deze beleidslijn is alleen mogelijk wanneer door het college hiertoe een deugdelijk onderbouwd voorstel wordt voorgelegd ter besluitvorming aan de raad.
Reserves worden niet ingesteld indien de omvang hiervan minder dan € 250.000 zal bedragen, tenzij wettelijk verplicht.
In de begroting en de jaarrekening vindt alleen toerekening van rente plaats over de algemene reserve(s), investeringsreserve(s) en begrotingsreserve.
Onttrekkingen uit de reserve:
Op de reserves waarbij dit van toepassing is wordt onttrokken op basis van realisatie tot maximaal het begrote bedrag (dus niet bij voorbaat het volledige bedrag van de raming, ongeacht de hoogte van de uitgaven).
Als de onttrekking lager is dan de raming worden de consequenties hiervan voor komende jaren goed toegelicht tussentijds dan wel bij resultaatbestemming.
Hoofdstuk
Artikel 10.