• - Onverminderd artikel 3, derde lid, wijst het bestuursorgaan een verzoek af als:
    • - het verzoek ziet op een taak waarvan de aard zich tegen toepassing van het uitdaagrecht verzet;
    • - het verzoek in strijd is met door de gemeente vastgesteld beleid;
    • - het bestuursorgaan van oordeel is dat de taak met de overheidsparticipatie niet beter wordt uitgevoerd of de kosten hoger zijn;
    • - de opdrachtwaarde boven de Europese drempelwaarde als bedoeld in paragraaf 2.1.1.1 van de Aanbestedingswet 2012 uitkomt;
    • - het verzoek niet voldoet aan de in artikel 21, eerste lid gestelde eisen.
  • - Als het voorstel wordt overgenomen voorziet het bestuursorgaan de indiener van gepaste ondersteuning. De gemaakte afspraken (over o.a. de taken, het resultaat, het budget, financieringsvorm, de looptijd, de periodieke evaluatie, stappen bij het niet nakomen van afspraken en tussentijds beëindigen van het uitdaagrecht) worden vastgelegd in een overeenkomst.
  • - De gemeente kan op verschillende manieren ondersteunen:
    • - materieel: menskracht, locaties, geld, praktische ondersteuning;
    • - formeel: regelgeving, vergunningen, richtlijnen, monitoren en meten;
    • - informeel: verbinden, inspireren, aandacht geven en communiceren;
    • - of een combinatie van bovenstaande.
  • - Het college geeft aan de indieners binnen acht weken een eerste reactie op het voorstel. Het uiteindelijke besluit van het college wordt gemotiveerd aan de indiener gestuurd. Indien een verzoek tot uitdaagrecht is afgewezen, is sprake van een besluit in de zin van hoofdstuk 7 van de Algemene wet bestuursrecht waartegen bezwaar en beroep open staat.