**1..** Bij de beoordeling van de eigen kracht van ouder(s) of wettelijke vertegenwoordiger(s) onderzoekt het college in hoeverre zij in staat zijn om zelf zorg en ondersteuning te bieden aan hun kind(eren).
**2..** Eigen kracht betreft het vermogen en de mogelijkheden van ouder(s) of wettelijke vertegenwoordiger(s) om, al dan niet met hulp uit het sociale netwerk, de noodzakelijke zorg te leveren.
**3..** Het college maakt bij deze beoordeling gebruik van de volgende begrippen:
Draagkracht: de fysieke, psychische, sociale en financiële mogelijkheden van ouder(s) of wettelijke vertegenwoordiger(s) om zorg te dragen voor hun kind(eren);
Draaglast: de zwaarte en complexiteit van de zorgbehoefte en problematiek binnen het gezin;
Normalisatie: het uitgangspunt dat bepaalde opvoedvragen en belastende situaties als normaal worden beschouwd binnen het ouderschap, tenzij sprake is van een disproportionele belasting die redelijkerwijs niet verwacht mag worden.
**4..** Het college onderzoekt bij de beoordeling van eigen kracht:
de verhouding tussen draagkracht en draaglast;
in hoeverre ouder(s) of het sociale netwerk zelf nog (voldoende) hulp kunnen bieden;
of de situatie valt binnen wat redelijkerwijs als normale opvoedbelasting kan worden beschouwd;
welke factoren, zoals langdurige ziekte, beperkte vaardigheden, of afwezigheid van een netwerk, invloed hebben op de balans tussen draagkracht en draaglast.
**5..** Indien de balans tussen draagkracht en draaglast leidt tot (dreigende) overbelasting en de eigen kracht ontoereikend is, kan het college besluiten dat ondersteuning op grond van de Jeugdwet noodzakelijk is.
**6..** De toepassing van dit artikel wordt ondersteund door een vastgesteld werkproces, waarin reflectievragen en processtappen zijn opgenomen om de beoordeling zo objectief mogelijk te maken.
**7..** Het college legt in het onderzoeksverslag vast op welke wijze de beoordeling van de eigen kracht heeft plaatsgevonden en welke afwegingen daarbij zijn gemaakt.
**8..** Indien nodig kan het college een deskundige raadplegen, zoals bedoeld in artikel 4.6.1 lid 4.
4.6.1 (Dreigende) overbelasting
De zorg voor een kind/jongere of huisgenoot kan zo zwaar worden dat dit zorgt voor overbelasting. Klachten en kenmerken die bij overbelasting horen - zonder dat er sprake is van een psychiatrische stoornis - zijn:
angst of gespannenheid: nervositeit, onrust, rusteloosheid, slecht slapen;
depressie: hopeloosheid, huilbuien, somberheid;
gedragsproblemen: negeren van normen en regels, onaangepast gedrag;
een combinatie van emotioneel en gestoord gedrag: depressie en/of angst;
klachten gecombineerd met een gedragsstoornis of onaangepast gedrag;
lichamelijke klachten, verminderde prestaties of concentratieproblemen.
Het college kan, in principe kortdurende, hulp inzetten als de ouder(s) of wettelijke vertegenwoordiger(s) die hulp geeft, overbelast dreigt te raken of al overbelast is. Daarbij moet duidelijk zijn hoe (het risico op) de overbelasting zich uit en wat dit risico betekent. De klachten van of het risico op overbelasting moeten duidelijk worden beschreven.
Het college onderzoekt de balans tussen draagkracht en draaglast binnen het gezin.
Het college beoordeelt of de overbelasting het gevolg is van een afname van de draagkracht van de ouder(s) of wettelijke vertegenwoordiger(s) zoals door persoonlijke problemen, beperkte vaardigheden of uitputting. Ook wordt gekeken of de overbelasting voortkomt uit een toename van de draaglast, bijvoorbeeld door de ernst of complexiteit van de zorgbehoefte van het kind/jongere. Daarbij wordt uitgegaan van ieders eigen verantwoordelijkheid en wat in redelijkheid van het gezin verwacht mag worden op basis van hun mogelijkheden en de aanwezige ondersteuningsbronnen.
Het college kan, indien nodig, om medisch advies vragen om te beoordelen of er sprake is van overbelasting.
Er moet een oorzakelijk verband zijn tussen de overbelasting en de zorg die de ouder(s) of wettelijke vertegenwoordiger(s) geven.
Bij overbelasting door een baan van te veel uren of ernstige spanningen op het werk, moet de oplossing in de eerste plaats gezocht worden in de oorzaak van de spanning. Als de spanning minder wordt door het dagelijks leven/het werk anders in te richten, verwacht het college dat ouder(s) of wettelijke vertegenwoordiger(s) daar zelf verantwoordelijkheid in nemen en hierin stappen zetten. Dit staat ook in het plan van aanpak. Het college verwacht van ouder(s) of wettelijke vertegenwoordiger(s) dat zij hun situatie met ondersteuning uit hun eigen omgeving of door aanpassing van hun leefstijl verbeteren. Als de indicatie is verlopen en de ouder(s) of wettelijke vertegenwoordiger(s) een herindicatie aanvragen, bekijkt het college of ze het plan van aanpak hebben uitgevoerd om de overbelasting te verminderen.
Als de ouder(s) of wettelijke vertegenwoordiger(s) die hulp geeft, overbelast is of overbelast dreigt te raken, dan hoeft hij/zij een minder grote bijdrage te leveren totdat de draagkracht en draaglast weer in balans zijn. Daarbij geldt het volgende:
als er eigen mogelijkheden en/of algemene/collectieve/andere voorzieningen zijn om de draaglast en draagkracht in balans te brengen, dan moeten deze worden ingezet. Als er sprake is van (dreigende) overbelasting doordat de ouder(s) of wettelijke vertegenwoordiger(s) zorg met indicatie zelf geeft, dan moeten andere zorgverleners deze zorg overnemen om overbelasting te voorkomen;
voor zover de (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door sociale, maatschappelijke activiteiten buiten hulp aan het kind/jongere, eventueel in combinatie met een fulltime school- of werkweek, dan verwacht het college van de ouder(s) of wettelijke vertegenwoordiger(s) dat hij/zij moeite doet om weer in balans te komen. Tot de balans weer wordt bereikt kan een tijdelijke verstrekking o.b.v. een plan van aanpak worden verstrekt. Het college kijkt hierbij ook naar financiële zelfredzaamheid, toekomstperspectief en draagkracht (zoals sociale contacten en hobby’s). Na afloop van de tijdelijke verstrekking beoordeelt het college of de balans is hersteld en het plan van aanpak is uitgevoerd;
voor zover de (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door sociale, maatschap-pelijke activiteiten buiten hulp, eventueel in combinatie met een fulltime school- of werkweek, dan verwacht het college van de ouder(s) of wettelijke vertegenwoordi-ger(s) dat hij/zij moeite doet om weer in balans te komen. Het college kijkt hierbij ook naar financiële zelfredzaamheid, toekomstperspectief en draagkracht (zoals sociale contacten en hobby’s).
4.7 Vervoer
Uitgangspunt is dat ouder(s) of wettelijk vertegenwoordiger(s) zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer van het kind of de jongere van en naar de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt.
Het college kan een vervoersvoorziening toekennen voor vervoer van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden, mits de jeugdhulpvoorziening noodzakelijk is en het vervoer hiervoor doelmatig en passend is. Uitgangspunt daarbij is dat de jeugdhulp zoveel mogelijk passend en dichtbij wordt geboden.
Bij de beoordeling of een vervoersvoorziening wordt toegekend, hanteert het college het volgende stappenplan:
eerst wordt beoordeeld of er sprake is van een medische noodzaak. Deze beoordeling vindt plaats op basis van een medisch advies of medisch onderzoek;
als er geen medische noodzaak bestaat, wordt beoordeeld of er sprake is van andere omstandigheden waardoor het eigen probleemoplossend vermogen of de mogelijkheden van het kind/de jongere of zijn/haar ouder(s) of wettelijk vertegenwoordiger(s) onvoldoende zijn om vervoer zelf te regelen.
De beoordeling onder lid 3 vindt plaats op grond van de bepalingen in artikel 4 van deze verordening, waarin onder andere de afwegingsgronden en het onderzoek van het college zijn vastgelegd.
Het college beoordeelt steeds per individuele situatie of sprake is van bijzondere omstandigheden die het noodzakelijk maken om vervoer vanuit het college te verstrekken.
Indien er volgens het college een gelijkwaardige en passende voorziening dichterbij beschikbaar is waarvoor geen vervoer nodig is, dan gaat deze voorziening vóór op een voorziening waarvoor wél vervoer geregeld moet worden.
Vervoer wordt alleen vergoed als de afstand tussen de woning en de jeugdhulpvoorziening 6 kilometer of meer bedraagt, tenzij uit medisch advies blijkt dat kortere afstanden voor het kind of de jongere niet overbrugbaar zijn.
Vervoer met eigen middelen, zoals de fiets, het openbaar vervoer of begeleiding door ouder(s) of wettelijk vertegenwoordiger(s), heeft de voorkeur. Alleen als uit medisch onderzoek blijkt dat dit niet mogelijk is, of als sprake is van tijdelijke overbelasting van het gezin, kan vervoer met een voorziening van het college worden overwogen.
4.8 Dyslexie
De zorg voor kinderen tot 13 jaar met ernstige dyslexie valt onder de Jeugdwet.
Dyslexiezorg is alleen beschikbaar voor het kind/de jongere als een specialist in ernstige dyslexie (ED) van het regionale aanmeldpunt (ABC in de regio Gooi en Vechtstreek), na aanmelding door de intern begeleider, heeft vastgesteld dat onderzoek of behandeling noodzakelijk is.
De richtlijnen voor dyslexiediagnose en behandeling zijn hierbij het uitgangspunt.
Een vergoeding voor deze vorm van zorg is uitsluitend beschikbaar na verwijzing door het college, kinderartsen, jeugdartsen of jeugdpsychiaters.
4.9 Vaktherapie
Vaktherapie is een behandeling waarbij kinderen leren door te doen. Bijvoorbeeld door beeldende therapie, dans, drama, muziek, psychomotorische therapie of speltherapie.
Vaktherapieën dienen evidence based te zijn. Dit betekent dat uit onderzoek moet blijven dat deze vorm van therapie werkt bij kinderen of jongeren met bepaalde problemen.
Vaktherapie wordt gegeven door een vaktherapeut. Dit is een professional die een erkende opleiding heeft afgerond.
Het college vergoedt vaktherapie alleen als dit echt nodig is voor de jeugdhulp en er geen andere mogelijkheden zijn.
Een onafhankelijk hulpverlener moet advies geven over de aard en omvang van vaktherapie als die therapie belangrijk is voor de behandeling.
Vaktherapie wordt alleen gegeven onder de verantwoordelijkheid van een regiebehandelaar of een vaktherapeut die is ingeschreven in het Register Vaktherapie.
Het college vergoedt het aantal uren dat maximaal nodig is volgens de onafhankelijk hulpverlener.
Als ouder(s) of wettelijke vertegenwoordiger(s) hiervoor aanvullend verzekerd zijn, dan moet dit eerst volledig worden benut. Het college vergoedt daarbovenop aanvullend wat daarna nog nodig is.
4.10 Kinderopvang en buitenschoolse opvang
Reguliere kinderopvang en buitenschoolse opvang zijn géén vormen van jeugdhulp.
In bijzondere gevallen kan het college vanuit de Jeugdwet extra begeleiding binnen de kinderopvang of buitenschoolse opvang toewijzen. Bijvoorbeeld als een kind extra begeleiding nodig heeft door een beperking, opgroei-, opvoedings- of psychische problemen, en opvangmedewerkers of de ouder(s) of wettelijke vertegenwoordiger(s) deze problemen niet aankunnen.
Het is belangrijk dat de problemen van het kind hanteerbaar zijn voor de opvang, zodat het kind op een veilige en passende manier kan deelnemen aan de kinderopvang of BSO. Extra begeleiding wordt ingezet om deze hanteerbaarheid te waarborgen.
Artikel 4.6a
Beoordeling van eigen kracht op basis van draagkracht, draaglast en normalisatie
Onderdeel van Verordening jeugdhulp gemeente Huizen 2025