4.1 Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren
Als kinderen/jongeren of hun ouder(s) of wettelijke vertegenwoordiger(s) een aanvraag voor specialistische jeugdhulp indienen, voert het college zo snel mogelijk een onderzoek uit samen met de kinderen/jongeren of hun ouder(s) of wettelijke vertegenwoordiger(s). Dit gebeurt uiterlijk binnen acht weken. Het college maakt zo snel mogelijk een afspraak voor een gesprek nadat de aanvraag is ontvangen.
Het college informeert de kinderen/jongeren of hun ouder(s) of wettelijke vertegenwoor-diger(s) direct bij eerste aanvraag over de mogelijkheid om een vertrouwenspersoon in te schakelen én over gratis cliëntondersteuning, zoals in de wet staat.
Als kinderen/jongeren of hun ouder(s) of wettelijke vertegenwoordiger(s) de aanvraag intrekken, kan het college het onderzoek stoppen. Het college bevestigt dit per brief of e-mail.
Bij het onderzoek kijkt het college:
naar de hulpvraag en het ontstaan van de hulpvraag.
naar de behoeften, persoonlijke kenmerken, voorkeuren, veiligheid en ontwikkeling van het kind/de jongere en de gezinssituatie.
of er psychische problemen, gedragsproblemen of opvoedingsproblemen zijn en of er sprake is van een beperking. Zo ja, dan onderzoekt het college:
wat de problemen zijn;
welke hulp kinderen/jongeren nodig hebben om gezond en veilig op te groeien en zelfredzaam te worden;
of de ouder(s) of wettelijke vertegenwoordiger(s) zelf en/of het sociale netwerk genoeg kunnen doen om te helpen;
of er andere hulp of voorzieningen nodig zijn als de eigen mogelijkheden niet genoeg zijn.
Of er rekening kan worden gehouden met de religie, overtuiging en cultuur van kinderen/jongeren en hun ouder(s) of wettelijke vertegenwoordiger(s).
hoe de hulp het beste aansluit op andere voorzieningen, zoals zorg, onderwijs of maatschappelijke ondersteuning.
naar de voorwaarden voor het krijgen en beëindigen van jeugdhulp, zoals bedoeld in art. 4.5 van deze verordening.
Als er een familiegroepsplan is ingediend, neemt het college dit mee in het onderzoek. Het kind/de jongere wordt zo veel mogelijk bij het onderzoek betrokken.
Het college informeert kinderen/jongeren of hun ouder(s) of wettelijke vertegenwoordiger(s) in begrijpelijke taal over de mogelijkheid om voor een pgb te kiezen. Het college legt ook uit wat dit betekent.
4.2 Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming
Het college kan specifiek deskundig oordeel en advies inwinnen als dit nodig is voor het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag. Het college houdt hierbij rekening met artikel 2.1 van het Besluit Jeugdwet
Het advies dat in het eerste lid wordt bedoeld, wordt uitgebracht door een adviseur die als professional is geregistreerd:
in het kwaliteitsregister Jeugd van de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd.
in het register Kinder- en Jeugdpsychologen van het Nederlands Instituut van Psychologen.
in het BIG-register op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg.
Het college garandeert dat het onderzoek en de voorbereiding van de besluitvorming zorgvuldig plaatsvinden. Het college voorkomt bijvoorbeeld dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp biedt of misschien gaat bieden:
ook het advies geeft over het wel of niet geven van jeugdhulp;
het besluit daarover neemt.
In het kader van het vrijwillige kader kan het college samenwerkingsafspraken maken met de gecertificeerde instellingen
4.3 Identificatie
Bij het onderzoek stelt het college de identiteit van de kinderen/jongeren en hun ouder(s) of wettelijke vertegenwoordiger(s) vast op basis van hun identiteitsbewijs, zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Denk aan een paspoort, een identiteitskaart of een rijbewijs.
Voor mensen die niet de Nederlandse nationaliteit hebben, ziet het college de volgende documenten als een geldig identiteitsbewijs:
een vreemdelingendocument van het type I, II, III, IV of EU/EER;
een verblijfskaart van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (legale vreemdelingen);
een buitenlands paspoort;
een vreemdelingendocument van het type W (asielzoekers);
een in Nederland afgegeven rijbewijs.
4.4 Plan van aanpak
Het college controleert of de kinderen/jongeren en hun ouder(s) of wettelijke vertegenwoordiger(s) de uitleg over de uitkomsten van het onderzoek hebben begrepen.
Uit het plan van aanpak/de opmerkingen/latere aanvullingen van de kinderen/jongeren of hun ouder(s) of wettelijke vertegenwoordiger(s) kan blijken dat een (individuele) voorziening nodig of wenselijk is. Is dat het geval? Dan moeten zij het plan van aanpak ondertekenen en terugsturen naar het college.
4.5 Voorwaarden voor het krijgen en beëindigen van jeugdhulp
Als uit onderzoek blijkt dat jeugdhulp nodig is, verstrekt het college de goedkoopst passende, snelst beschikbare en effectieve vorm van hulp. Het college zet alleen jeugdhulp in als deze naar verwachting daadwerkelijk bijdraagt aan het oplossen van de problemen van het kind of de jongere.
Er is sprake van effectieve hulp wanneer het effect ervan is bewezen door wetenschappelijk onderzoek en erkend is, bijvoorbeeld via het Nederlands Jeugdinstituut of via geldende zorgstandaarden in de geestelijke gezondheidszorg.
Als (uit onderzoek blijkt dat) ouder(s) of wettelijk vertegenwoordiger(s) hulp nodig hebben vanwege hun eigen of onderlinge problemen, maar het kind of de jongere zelf geen hulpvraag of behoefte aan hulp heeft, wordt er geen jeugdhulp toegekend op basis van de Jeugdwet.
Bij meervoudige problematiek binnen een gezin onderzoekt het college eerst wat de onderliggende oorzaak is van de situatie. De inzet van ondersteuning richt zich in eerste instantie op het aanpakken van deze oorzaak. Dit betekent dat niet automatisch jeugdhulp wordt ingezet. Als de oorzaak buiten het domein van de Jeugdwet valt, zoals bij relationele problemen tussen ouders of wettelijk vertegenwoordigers of bij echtscheiding, wordt eerst gekeken naar ondersteuning vanuit andere wetgeving of voorzieningen, zoals de Wmo 2015, de Zvw, de Participatiewet of hulp die onder eigen verantwoordelijkheid valt. Alleen als de ernst van de problemen rondom het kind dat vereist, kan alsnog jeugdhulp worden ingezet op grond van de Jeugdwet. Voor de inzet van ouderschapsbemiddelingstrajecten bij echtscheiding gelden de aanvullende voorwaarden zoals opgenomen in artikel 4.5.1 in deze verordening.
Individuele voorzieningen op grond van artikel 2, lid 2, van deze verordening worden uitsluitend vergoed als het college vooraf toestemming heeft verleend voor de betreffende kosten.
Jeugdhulp wordt beëindigd wanneer, naar het oordeel van het college, het doel van de hulp is bereikt. Dit is het geval wanneer het kind of de jongere weer voldoende kan meedoen in de maatschappij en opgroeit in een passend en veilig leefklimaat. Het college beoordeelt of dit het geval is. Dit kan bijvoorbeeld wanneer:
het kind of de jongere zelf in staat is om zijn eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen effectief in te zetten, of
de ouder(s) of wettelijke vertegenwoordiger(s) voldoende in staat zijn om het kind daarbij te ondersteunen.
4.5.1 Ouderschapsbemiddeling bij echtscheiding
Mediation tussen ouders is een voorliggende voorziening. Ouders of wettelijke vertegenwoordigers wordt eerst gevraagd gebruik te maken van mediation voordat het college jeugdhulp inzet in de vorm van ouderschapsbemiddeling of parallel ouderschapsbemiddeling. Mediation valt onder de eigen verantwoordelijkheid van ouders of wettelijke vertegenwoordigers en wordt niet vergoed vanuit de Jeugdwet.
Het college kan ouderschapsbemiddeling of parallel ouderschapsbemiddeling inzetten als ondersteuning op grond van de Jeugdwet, mits aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan:
De ouders of wettelijk vertegenwoordigers zijn formeel gescheiden (de scheiding is juridisch vastgelegd);
Er is een ouderschapsplan aanwezig;
De situatie tussen ouders belemmert het welbevinden of de ontwikkeling van het kind;
Uit onderzoek blijkt dat inzet van deze hulp daadwerkelijk bijdraagt aan het verbeteren van het leefklimaat of de ontwikkelingskansen van het kind.
Per gezin wordt maximaal één ouderschapsbemiddelingstraject en/of één parallel ouderschapsbemiddelingstraject toegekend.
4.6 Beoordeling van eigen mogelijkheden en het vermogen om problemen op te lossen
Ouder(s) of wettelijke vertegenwoordiger(s) zijn verplicht om hun kind op te voeden en te verzorgen (artikel 1:247 Burgerlijk Wetboek). Ze zijn ook verantwoordelijk voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van hun kind. Daarnaast moeten ze de ontwikkeling van de persoonlijkheid van hun kind bevorderen. Verder moeten ouder(s) of wettelijke vertegenwoordiger(s) hun kind een passend leefklimaat bieden in een veilige woonomgeving. Dit betekent ook dat als een van de ouder(s) of wettelijke vertegenwoordiger(s) uitvalt, de andere ouder(s) of wettelijke vertegenwoordiger(s) het overneemt.
Deze zorg is niet vrijblijvend. De Jeugdwet gaat ervan uit dat ouder(s) of wettelijke vertegenwoordiger(s) de hulp bieden die nodig is en binnen hun mogelijkheden ligt (eigen kracht). Als het nodig is, mogen ze daarbij gebruikmaken van hun sociale netwerk. Het college beoordeelt de eigen kracht op basis van de bepalingen in het derde tot en met het achtste lid van dit artikel.
Het college onderzoekt of de ouder(s) of wettelijke vertegenwoordiger(s) de noodzakelijke hulp aan hun kind op eigen kracht kunnen geven. Deze bepaling staat in deze verordening om hulpvragen zo veel mogelijk te normaliseren. Het college bekijkt hierbij onder andere of:
de ouder(s) of wettelijke vertegenwoordiger(s) de hulp al geven;
er sprake is van belemmeringen waardoor de ouder(s) of wettelijke vertegenwoordiger(s) de hulp niet (langer) kunnen geven;
de noodzakelijke hulp niet te complex en specialistisch is voor de mogelijkheden van ouder(s) of wettelijke vertegenwoordiger(s) en hun netwerk.
Het college onderzoekt of de ouder(s) of wettelijke vertegenwoordiger(s) beschikbaar zijn om de noodzakelijke hulp te bieden. Hierbij bekijkt het college onder andere of:
de ouder(s) of wettelijke vertegenwoordiger(s) langdurig ziek is;
de ouder(s) of wettelijke vertegenwoordiger(s) langdurig afwezig is in het gezin.
Als ouder(s) of wettelijke vertegenwoordiger(s) niet kunnen helpen vanwege hun werk, dan neemt het college dit niet mee in de beoordeling. Het college verwacht dat de ouder(s) of wettelijke vertegenwoordiger(s) de hulp met hun werk combineren. Dit geldt niet als de combinatie hulp/werk een zeer ernstige situatie oplevert.
Het college onderzoekt of hulp door de ouder(s) of wettelijke vertegenwoordiger(s) niet voor overbelasting zorgt. Hiervoor geldt de richtlijn overbelasting uit artikel 4.6.1 van deze verordening.
Het college onderzoekt of de ouder(s) of wettelijke vertegenwoordiger(s) de hulp zonder vergoeding blijven bieden en, zo ja, of de ouder(s) of wettelijke vertegenwoordiger(s) daardoor niet in de financiële problemen komen.
Bij de beoordeling van de eigen kracht brengt het college de mogelijkheden van het aanbod in het brede sociale domein ook in kaart. Denk aan schuldhulpverlening en hulp vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning en de Participatiewet.
Bij de beoordeling van de eigen kracht kijkt het college niet naar het inkomen. Als de ouder(s) of wettelijke vertegenwoordiger(s) de hulp al zonder vergoeding geven en deze ook zouden blijven geven zonder dat ze er een vergoeding voor krijgen, kan er sprake zijn van voldoende financiële draagkracht. Dit valt ook onder eigen kracht.
Artikel 4:
Aanvraag voor specialistische jeugdhulp: onderzoek en besluitvorming via de gemeente
Onderdeel van Verordening jeugdhulp gemeente Huizen 2025