Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4.

Artikel 4.4

Verjaring van de reststrook

Onderdeel van Beleidsnota reststroken en oneigenlijk grondgebruik Gemeente Veenendaal

Het is mogelijk dat een gebruiker van een oneigenlijk in gebruik genomen reststrook, een beroep doet op verjaring. De gebruiker heeft in dat geval het doel eigenaar te worden van de reststrook. De gemeente beoordeelt een beroep op verjaring aan de hand van relevante wet- en regelgeving en vaste jurisprudentie. Omdat eigendom in Nederland goed beschermd is, worden er strenge eisen gesteld aan verjaring. De bewijslast voor een beroep op verjaring ligt bij degene die zich op verjaring beroept. Blijkt uit het bewijsmateriaal onomstotelijk dat een rechter het beroep op verjaring zal erkennen, dan zal de gemeente het beroep op verjaring erkennen. In de volgende paragrafen worden de verschillende vormen van verjaring uiteengezet en wordt uiteengezet in welke situaties de gemeente het recht heeft om bij eigendomsverlies door verjaring schadevergoeding te vorderen. 4.4.1 Verkrijgende en bevrijdende verjaring Het Burgerlijk Wetboek maakt onderscheid gemaakt tussen twee soorten verjaring: verkrijgende en bevrijdende verjaring. Verkrijgende verjaring wordt bepaald in artikel 3:99 BW Verkrijgende verjaring ofwel verjaring te goeder trouw treedt op als de reststrook gedurende tien jaar onafgebroken en te goeder trouw in bezit is. Het begrip ‘te goeder trouw’ houdt in dat de verkrijger niet wist en niet kon weten dat het goed niet van hem was. In de praktijk wordt slechts zelden ‘te goeder trouw’ aangenomen, omdat degene die een beroep doet op verkrijgende verjaring in bepaalde mate zelf een onderzoeksplicht heeft. Indien iemand uit de openbare registers kan opmaken dat de reststrook niet aan hem toebehoort, kan er geen sprake zijn van goeder trouw. Bevrijdende verjaring wordt bepaald in artikel 3:105 BW Van bevrijdende verjaring is sprake als de reststrook twintig jaar onafgebroken in bezit is. Het begrip ‘te goeder trouw’ speelt hierbij geen rol. Van bezit is sprake als de reststrook wordt gebruikt alsof de gebruiker eigenaar is en niemand anders. De inrichting van de grond is hierbij van belang. De tuin inclusief de reststrook dient niet meer toegankelijk te zijn voor derden en samen één geheel te vormen. Bijvoorbeeld door het plaatsen van een hoge ondoordringbare haag om de tuin of een schuurtje op de reststrook. In die gevallen kan er sprake zijn van bezit. Wordt alleen het gras gemaaid, staan er planten, is beschoeiing aangebracht of liggen er tegels op de reststrook dan zijn dat voorbeelden van inrichtingen die onvoldoende zijn om te spreken van bezit. In dergelijke gevallen zal er geen sprake zijn van bevrijdende verjaring. 4.4.2 Schadevergoeding bij verlies van eigendom door verjaring Door een geslaagd beroep op verkrijgende of bevrijdende verjaring verliest de gemeente het eigendom van de reststrook. Uit vaste jurisprudentie blijkt dat eigendomsverlies door verjaring het gevolg is van onrechtmatig handelen van de eerste inbezitnemer. De gemeente kan daarom schadevergoeding vorderen van de nieuwe eigenaar op grond van onrechtmatige daad (art. 6:162 BW), mits de nieuwe eigenaar de eerste inbezitnemer is.[1] [1] HR 24 februari 2017 – ECLI:NL:HR:2017:309 (Gemeente Heusden). Het uitgangspunt is in beginsel schadevergoeding in geld. De gemeente kan bij een vordering tot schadevergoeding in geld de geldende grondprijzen als uitgangspunt nemen. De Gemeente zal per dossier beoordelen of er schadevergoeding gevorderd kan en/of moet worden. Alleen wanneer de gemeente de grond vanwege strategische redenen nodig heeft, zal de gemeente onderzoeken of het mogelijk is om de grond op grond van artikel 6:103 BW schadevergoeding in natura te vorderen. Indien noodzakelijk zal de gemeente de schadevergoeding van de eerste inbezitnemer in geld of in natura via de rechter vorderen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel