Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4 › Paragraaf 4.2

Artikel 4.2.1

Laat-pleistocene landschap

Onderdeel van Archeologie van stad en platteland in de gemeente IJsselstein

Het pleistocene oppervlak in de ondergrond bestaat in het noordelijk deel van de gemeente IJsselstein uit dekzanden die als een dunne laag uitwiggen op de onderliggende pleistocene rivierafzettingen. De bovenzijde van de pleistocene afzettingen bevindt zich tussen 4 en 8 m -NAP, de afzettingen liggen het hoogst in het noordelijk deel van de gemeente en hellen geleidelijk af in zuid(westelijk)e richting. Op basis van de hoogteligging van het pleistocene oppervlak en de grondwatercurves voor West-/Midden-Nederland kan een globale indruk worden verkregen van het 'tijdstip' (periode) waarop het laat-pleistocene landschap als gevolg van de zeespiegelstijging vernatte en overgroeide raakte met veen.76Berendsen et al. 20007, Van de Plassche et al. 2005, Van de Plassche et al. 2010. Logischerwijs begon de verdrinking in de laagste delen en schoof deze in de loop van de tijd op naar de hoger gelegen delen van het (dek)zandlandschap. Aangenomen kan worden dat de verdronken gebiedsdelen ongeschikt (want te nat) waren voor bewoning. Uitgaande van de hoogteligging van de pleistocene ondergrond (4 tot 8 m -NAP), is het pleistocene landschap globaal tussen 7000 en 5000 jaar geleden verdronken en overgroeid geraakt met veen. Dit betekent dat de laagste delen van het (dekzand)landschap aan het einde van het mesolithicum ongeschikt raakten voor bewoning. De hoogste delen waren mogelijk nog bewoonbaar tot in de loop van het neolithicum. De archeologische verwachting voor vindplaatsen van jager-verzamelaars wordt bepaald door de morfologie (en intactheid) van het laat pleistocene (dek)zandlandschap. Met name ecologische gradiëntzones (overgangen van nat naar droog, zoals bijvoorbeeld dekzandruggen grenzend aan depressies of langs de randen van beekdalen) hebben een hoge correlatie met de ligging van vindplaatsen van jager-verzamelaars. In dergelijke zones kunnen in principe zowel nederzettingsterreinen met een dichte strooiing van vuursteenmateriaal, als kleine jachtkampementjes met een ijle vondststrooiing aanwezig zijn. Bij dergelijke vindplaatsen wordt voornamelijk strooiing van houtskool, (bewerkt) vuursteen en (ander) natuursteen verwacht. De resten bevinden zich in de top van het (ongestoorde) natuurlijke dekzand. De beschikbare geologische gegevens (boringen) zijn te gering om een voldoende betrouwbaar beeld van (de intactheid, opbouw en het reliëf van) de pleistocene ondergrond te krijgen (vgl. paragraaf 3.2.2). Desondanks is het zeker dat (delen van) het afgedekte dekzandlandschap bewoond zijn geweest door jager-verzamelaars. Verschillende geologische boringen laten zien dat het dekzand ter hoogte van de komgebieden (en de “zwevende” oevers en crevassen; zie paragraaf 3.2.2) is afgedekt door een dunne laag basisveen, wat impliceert dat het onderliggende pleistocene landschap hier vermoedelijk nog grotendeels intact is (paragraaf 3.2.2; Figuur 3-3). Voor deze gebieden geldt (afhankelijk van de specifieke ligging binnen het paleoreliëf van het dekzandlandschap) een lage tot hoge archeologische verwachting. Omdat het verloop van het reliëf slechts globaal bekend is, gaan we voor deze zones in kaartbijlage 2 uit van een middelhoge archeologische verwachting voor vindplaatsen van jager-verzamelaars. Ter hoogte van de holocene stroomgordels (Figuur 4-1) is het laat-pleistocene landschap, ten gevolge van erosie, zeer waarschijnlijk niet meer intact (Figuur 3-3). Voor deze zones wort uitgegaan van een lage archeologische verwachting. Figuur 4-1 Globale verwachtingskaart jager-verzamelaars: gemodelleerde hoogteligging en intactheid van het Laat-pleistocene landschap. Los van (het probleem ten aanzien van) de specifieke archeologische verwachting, geldt in algemene zin dat de (met een meters dik pakket veen en klei) afgedekte vindplaatsen van jager-verzamelaars relatief lastig zijn op te sporen. Behalve de relatief grote diepteligging zijn ook de vindplaatskenmerken – het ontbreken van een cultuur-/vondstlaag, de geringe omvang en de veelal lage vondstdichtheid – hier debet aan. Tegenover deze beperkingen staat dat het dieper gelegen niveau zelden door (omvangrijke) bodemingrepen wordt bedreigd (funderingspalen uitgezonderd). De kans dat eventueel aanwezige archeologische resten van jager-verzamelaars worden aangetast is dan ook beperkter dan bij vindplaatsen uit recentere perioden die zich ondiep onder het maaiveld bevinden. Om deze reden is onderscheid gemaakt tussen relatief ondiep (binnen circa 5 m -mv) en diep gelegen dekzandlandschap (Figuur 4-1 en kaartbijlage 2). Dit onderscheid impliceert geen principieel verschil in archeologische verwachting. Wel is het een (grove) indicatie voor de kans dat het onderliggende pleistocene landschap wordt aangetast bij bodemingrepen (uiteraard hangt dit vooral af van de specifieke ingreep) en is deze (diepte)maat ingegeven door praktische onderzoeksmogelijkheden/-beperkingen.

Rechtspraak bij dit artikel