Het rivierenlandschap in de gemeente IJsselstein omvat de meandergordels, crevassen en komgebieden van de rivieren die gedurende het Holoceen op het grondgebied van de gemeente IJsselstein stroomden. Feitelijk gaat het om een stapeling van verschillende landschappen die door de tijd heen (kleine) veranderingen hebben ondergaan. In het onbedijkte rivierenlandschap vormden de hoger gelegen meandergordels preferente bewoningslocaties. De top van het boven de beddingafzettingen gelegen oeverpakket vormde, samen met aangrenzende oeverzones en crevassen, veelal een oud stabiel bodemniveau en daarmee een archeologisch niveau. Bij de op dit niveau te verwachten vindplaatsen kan het gaan om resten van relatief grote nederzettingsterreinen. De (omvangrijkere) vindplaatsen kenmerken zich doorgaans door een archeologische (cultuur)laag met een lage tot hoge vondstdichtheid (houtskool, bot, aardewerk, natuursteen en – afhankelijk van de bewoningsperiode – ook baksteen, metaal of glas).77Nederzettingen uit de Romeinse tijd en middeleeuwen kenmerken zich doorgaans vaker door een duidelijk herkenbare archeologische (cultuur)laag, dan terreinen uit de bronstijd of ijzertijd. De archeologische niveaus kunnen al dicht onder het maaiveld aanwezig zijn, maar kunnen zich ook op een diepte van enkele meters bevinden. Verder kunnen vindplaatsen/ bewoningsniveaus aanwezig zijn die zich niet manifesteren door een herkenbare archeologische laag. Tot slot kunnen ook sporen van landgebruik, begravingen en losse sporen aanwezig zijn. Zowel dergelijke losse sporen, als vindplaatsen zonder archeologische laag, zijn met een (prospectief) booronderzoek vrijwel niet of nauwelijks op te sporen.
Het grondgebied van de gemeente IJsselstein wordt doorsneden door een complex van stroomgordels die opeenvolgend gedurende een periode van 7500 jaar actief waren. In die zin is ook met recht sprake van gestapelde landschappen (zie paragraaf 3.1.2). Op basis van de (vermeende) diepteligging van de bovenzijde van de (oever- en) beddingafzettingen en de ouderdom (einddatering) van de stroomgordels zijn de stroomgordels onderverdeeld in vier archeo-landschappen. De indeling is bovendien zo gekozen dat deze grotendeels samenvalt met het onderscheid in archeologische 'samenlevingen' (jager-verzamelaars, vroege landbouwers, late landbouwers en staatssamenlevingen):
Het oudste rivierenlandschap;
Het oude rivierenlandschap;
Het jonge rivierenlandschap;
De actieve meandergordel van de Lek (uiterwaarden)het .
Binnen elk archeo-landschap is onderscheid gemaakt tussen de (op dat moment) actieve stroomgordels, de verlande stroomgordels en de kommen. Voor de ondiepere stroomgordels (het oude, het jonge en het “actieve” rivierenlandschap) zijn tevens (delen van) restgeulen onderscheiden.
Oudste rivierenlandschap (laat mesolithicum - vroeg neolithicum)
Gedurende het laat mesolithicum en/of een deel van het vroeg neolithicum kwamen op het grondgebied van IJsselstein de eerste stroomgordels op gang. Deze maakten deel uit van het Benschopse stroomstelsel, met de volgende deelstroomgordels: Tienhoven, Kortenhoeven, Wiersch, Willeskop, Benschop, Autena en Kapel. Deze 'vroeg-neolithische' stroomgordels bepaalden de bewoningsmogelijkheden voor de bewoners die rond de overgang van de jager-verzamelaars naar de vroegste landbouwers leefden in dit deel van het rivierengebied. De zandige meandergordels vormden hogere en aantrekkelijke plekken voor bewoning en gebruik. Mogelijk dat (met name) de jongere stroomgordels uit deze groep ook gedurende de bronstijd nog aantrekkelijk waren voor bewoning. Na verlanding werden de stroomgordels overslibd met komklei van jongere rivierlopen en werden ze onderdeel van het komkleilandschap uit een volgende periode. Vermoedelijk vanaf de ijzertijd – maar mogelijk ook al gedurende een deel van de bronstijd – waren de vroeg-neolithische stroomgordels niet meer aantrekkelijk voor bewoning. De bovenzijde van de beddingafzettingen kan aangetroffen worden vanaf circa 2,0 m -NAP en dieper (ca. 2,5 m -mv en dieper).
Ten aanzien van die delen van het oudste rivierenlandschap die gedurende latere perioden niet zijn geërodeerd of verspoeld door jongere stroomgordels geldt:
Een hoge verwachting voor vindplaatsen uit de periode laat mesolithicum – (midden) neolithicum;
Een middelhoge verwachting voor vindplaatsen uit de bronstijd;
Een lage archeologische voor vindplaatsen uit latere perioden (ijzertijd-vroege middeleeuwen).
Figuur 4-2 Ouderdom en actieve fasen van de verschillende meandergordels in de gemeente IJsselstein.
Oude rivierenlandschap (midden/laat neolithicum en bronstijd)
Gedurende het midden/laat neolithicum en de bronstijd waren op het grondgebied van IJsselstein de Graafse en aansluitende Linschotense stroomstelsels actief. Deze stroomgordelcomplexen kennen de volgende deelstroomgordels: Buitenzorg, Lopik, Vuylkop, Neder-Oudland, Lage Dijk, Vechgel, Stuivenberg, Lampsin Over-Oudland, IJsselveld-Schuurenburg, Blok en Jutphaas. De zandige meandergordels van de rivieren vormden hogere en aantrekkelijke plekken voor bewoning en gebruik. Mogelijke vormden de zandbanen na verlanding ook nog aantrekkelijke locaties voor bewoning in de ijzertijd en de Romeinse tijd. Ook aangrenzende hoger gelegen oeverzones waren geschikt als woonlocatie en andere activiteiten. Het Linschotense systeem wordt behalve door een wirwar van stroomgordels gekenmerkt door veel smaller crevassen. De meest zijn op de gedetailleerde kaarten van Berendsen (1982) terug te vinden. Ze blijken ook in het AHN-beeld te herkennen aan een iets hogere ligging. Het kaartbeeld is op basis van AHN aangevuld met een enkele smalle crevasse.
De bovenzijde van de beddingafzettingen kan aangetroffen worden tussen circa 1,0 tot 0,0 m -NAP (ca. 1,5 – 0,5 m -mv). Ter hoogte van de meandergordels van het oude rivierenlandschap is het oudste rivierenlandschap weg geërodeerd.
Ten aanzien van die delen van het oude rivierenlandschap die gedurende latere perioden niet zijn geërodeerd of verspoeld door jongere stroomgordels en corresponderende oeverzones en crevassen geldt:
Een hoge verwachting voor vindplaatsen uit de periode (midden) neolithicum - bronstijd);
Een hoge verwachting voor vindplaatsen uit de periode ijzertijd-Romeinse tijd;
Een middelhoge verwachting voor vindplaatsen uit de vroege middeleeuwen.
Figuur 4-3 Landschappelijke ontwikkeling met archeologische vindplaatsen voor vier archeologische perioden.
Jonge rivierenlandschap (ijzertijd - vroege middeleeuwen)
Bepalend voor het landschapsbeeld gedurende de ijzertijd, Romeinse tijd en vroege middeleeuwen (tot aan de bedijking) waren de activiteiten van de Hollandse IJssel en van de Lek. De zandige meandergordels vormden hogere en aantrekkelijke plekken voor bewoning en gebruik. De bovenzijde van de beddingafzettingen kunnen al worden aangetroffen binnen 1,0 m -mv. Opvallend is dat de Hollandse IJssel vrijwel geen oeverafzettingen buiten de meandergordel heeft afgezet. Op het AHN-beeld, maar ook uit de gedetailleerde paleogeografische kaarten van Berendsen (1982) is op te maken dat de zandbaan op de meeste plaatsen direct grenst aan zware komkleiafzettingen. Het lijkt er dan ook op dat de Hollandse IJssel zich in de actieve fase zich maar weinig verticaal heeft opgebouwd en dan enkele binnen de meandergordel. De grote hoogteverschillen met direct aangrenzende komgebieden zijn vermoedelijk het resultaat van latere differentiële klink. Slecht op één locatie (polder IJsselveld) is op basis van AHN-beeld en boringen uit het DINO-loket een oeverzone gekarteerd buiten de meandergordel van de Hollandse IJssel. Op de kaart van Berendsen is hier een dijkdoorbraakafzetting weergegeven, maar daarvoor zijn op historische kaarten, noch uit beschikbare boorprofielen aanwijzingen te vinden.
Ten aanzien van die delen van het jongste rivierenlandschap die gedurende latere perioden niet zijn geërodeerd of verspoeld door jongere stroomgordels geldt:
Een lage verwachting voor vindplaatsen uit de periode laat mesolithicum – (midden) neolithicum;
Een lage verwachting voor vindplaatsen uit de periode (midden) neolithicum - bronstijd);
Een hoge verwachting voor vindplaatsen uit de periode ijzertijd-Romeinse tijd;
Een hoge verwachting voor vindplaatsen uit de vroege middeleeuwen.
Grote delen van de meandergordel van de Hollandse IJssel zijn in de Nieuwe tijd afgeticheld voor de steenbakkerijen (zie verstoringen).
De actieve meandergordel van de Lek (uiterwaarden) (volle middeleeuwen - heden)
Na de afdamming van de Hollandse IJssel in 1285 (De Dam bij het Klaphek) waren er behalve de Lek geen stroomgordels meer actief binnen de gemeente IJsselstein. Samenhangend met de jaarlijkse overstromingen waren (en zijn) de uiterwaarden van de Lek na bedijking niet bewoonbaar. De bedijkte geul van de Lek heeft oudere afzettingen binnen de dijken volledig opgeruimd.78Zie ook archeologische verwachtingskaart van de uiterwaarden: Cohen et al 2014. Derhalve geldt voor de uiterwaarden:
Een lage verwachting voor vindplaatsen uit de periode laat mesolithicum – (midden) neolithicum;
Een lage verwachting voor vindplaatsen uit de periode (midden) neolithicum - bronstijd);
Een lage verwachting voor vindplaatsen uit de periode ijzertijd-Romeinse tijd;
Een lage verwachting voor vindplaatsen uit de middeleeuwen en Nieuwe tijd.
Komgebieden
Algemeen wordt aangenomen dat de komkleigebieden zich vanwege hun lage ligging en natte omgeving slecht leenden voor (prehistorische) bewoning. Op grond hiervan geldt voor deze landschappelijke eenheden een lage archeologische verwachting voor vindplaatsen (nederzettingen) uit de periode neolithicum - middeleeuwen. Wel kunnen in komgebieden vondstcomplexen aanwezig zijn die juist specifiek zijn voor dergelijke natte gebieden (overblijfselen van transport of economische activiteiten, al dan niet rituele deposities e.d.). Dergelijke resten zijn met reguliere prospectiemethoden (booronderzoek) nauwelijks of moeilijk op te sporen. In de loop van de middeleeuwen zijn de komgebieden ontgonnen en in cultuur gebracht. Relicten (ontginningsassen en -linten) die hiermee samenhangen staan op kaartbijlage 3 (historisch-geografische waarden- en relictenkaart) weergegeven.
De bovenstaande uiteenzetting van archeologische verwachtingen is samengevat in Tabel 4.1 (zie ook kaartbijlage 2):
Algemeen wordt aangenomen dat de komkleigebieden zich vanwege hun lage ligging en natte omgeving slecht leenden voor (prehistorische) bewoning. Op grond hiervan geldt voor deze landschappelijke eenheden een lage archeologische verwachting voor vindplaatsen (nederzettingen) uit de periode neolithicum - middeleeuwen. Wel kunnen in komgebieden vondstcomplexen aanwezig zijn die juist specifiek zijn voor dergelijke natte gebieden (overblijfselen van transport of economische activiteiten, al dan niet rituele deposities e.d.). Dergelijke resten zijn met reguliere prospectiemethoden (booronderzoek) nauwelijks of moeilijk op te sporen. In de loop van de middeleeuwen zijn de komgebieden ontgonnen en in cultuur gebracht. Relicten (ontginningsassen en -linten) die hiermee samenhangen staan op kaartbijlage 3 (historisch-geografische waarden- en relictenkaart) weergegeven.
Aan de basis van het pakket met veen- en komkleiafzettingen dient rekening te worden gehouden met een intact dekzandlandschap (zie paragraaf 4.2.1).
Zoals hierboven aangegeven vormde de top van de oeverafzettingen en crevassen veelal een oud stabiel bodemniveau waarop bewoning mogelijk was. Daarmee zijn deze niveaus in potentie de archeologische niveaus van de meandergordels. Op basis van de profielen bij de geomorfogenetische kaart blijkt dat dit niveau binnen 1 m boven de top van het beddingzand ligt.79Berendsen 1982. Op basis van de diepteligging van het beddingzand is in tabel 4.2 per rivierenlandschap de hoogste ligging van het archeologische niveau aangegeven.
Landschappelijke eenheid
Archeologische periode en verwachting
Laat mesolithicum-midden neolithicum
Laat neolithicum - bronstijd
IJzertijd-Romeinse tijd
(Vroege) middeleeuwen
Oudste rivierenlandschap (jager-verzamelaars/vroege landbouwers)
meandergordel
hoog
middelhoog
laag
laag
komgebied
laag
laag
laag
laag
Oude rivierenlandschap (vroege landbouwers)
meandergordel
laag
hoog
hoog
middelhoog
komgebied
laag
laag
laag
laag
oeverzone en crevasse
laag
hoog
hoog
middelhoog
Restgeul
laag
hoog*
hoog*
middelhoog*
Jonge rivierenlandschap (late landbouwers)
meandergordel
laag
laag
hoog
hoog
komgebied
laag
laag
laag
laag
oeverzone
laag
laag
hoog
hoog
Restgeul
laag
laag
hoog*
hoog*
De actieve meandergordel van de Lek (uiterwaarden) (staatssamenlevingen)
stroomgordel
laag
laag
laag
laag
restgeul (huidige loop)
laag
laag
laag
laag
Tabel 4.1 Overzicht van de gehanteerde archeologische verwachtingen per periode per landschappelijk eenheid (*: de verwachting voor restgeulen heeft betrekking op watergerelateerde archeologische resten).
Rivierenlandschap
Top beddingzand (m -mv/ NAP)
Top potentieel archeologisch niveau (m -mv/ NAP)
Oudste
2,0 m -NAP (2,5 m -mv) en dieper
1,0 m -NAP (1,5 m -mv) en dieper
Oude
tussen 1,0 en 0,0 m -NAP (1,5 – 0,5 m -mv)
0 tot 0,5 m +NAP (0 – 0,5 m -mv)
Jonge
tussen +0,5 en -0,5 m NAP (0 – 1 m -mv)
0,5 m +NAP (0 m -mv)
Lek
-
n.v.t.
Tabel 4.2 Gereconstrueerd hoogste voorkomen van de het potentieel archeologische niveau per rivierenlandschap.
Hoofdstuk 4 › Paragraaf 4.2
Artikel 4.2.2
Rivierenlandschap
Onderdeel van Archeologie van stad en platteland in de gemeente IJsselstein