Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3.

Artikel 14.

Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

Onderdeel van Verordening afstemming 2009 Wet investeren in jongeren

De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de voorziening in het bestaan, geldt reeds voordat een inkomensvoorziening wordt aangevraagd. Dit betekent dat wanneer iemand in de periode voorafgaand aan de aanvraag voor een inkomensvoorziening een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft getoond, waardoor hij niet langer beschikt over de middelen om in de kosten van het bestaan te voorzien en als gevolg daarvan (eerder) een inkomensvoorziening aanvraagt, de gemeente bij de toekenning van de inkomensvoorziening hiermee rekening kan houden door het opleggen van een verlaging. Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei gedragingen blijken, zoals: een onverantwoorde besteding van vermogen, door bijvoorbeeld dure vakanties of aankoop van luxe goederen; geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende voorziening; het te laat aanvragen van de inkomensvoorziening (met terugwerkende kracht); het niet nakomen van de verplichting tot instellen alimentatievordering; het later dan toegestaan terugkeren van vakantie; het doen van schenkingen of het verkopen van een woning onder de marktwaarde; het zich niet of onvoldoende verzekeren; onderbedeling bij echtscheiding. Deze lijst geeft slechts voorbeelden. Er kunnen zich andere situaties voordien waarbij naar het oordeel van het college sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Bij de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid van een dergelijke gedraging is het criterium dat redelijkerwijs voorzienbaar moet zijn geweest dat men door zijn handelwijze (eerder) afhankelijk zou worden van inkomensvoorziening. In het tweede lid worden mogelijkheden aangegeven hoe in dergelijke situaties kan worden omgegaan met de inkomensvoorziening. Omdat de situaties zeer divers kunnen zijn, wordt hiervoor geen standaard verlaging genoemd in de verordening, maar wordt dit overgelaten aan het college ter beoordeling. Ook hierbij moet steeds de afweging gemaakt worden tussen ernst van de gedraging, verwijtbaarheid en omstandigheden, waarbij ook de proportionaliteit en redelijkheid niet uit het oog verloren mag worden. De duur van de verlaging dient te worden afgestemd op de hoogte van het onverantwoord opgemaakte vermogen. Verder dient rekening gehouden te worden met alle resterende middelen. Een mogelijkheid is het verder laten interen van het nog overgebleven bescheiden vermogen (door de inkomensvoorziening tijdelijk te weigeren).

Rechtspraak bij dit artikel