De burgemeester tolereert niet dat inrichtingen het toneel zijn van strafbare handelingen en/of een uitvalsbasis vormen voor criminelen. Daarom wordt streng opgetreden tegen inrichtingen waar dergelijke praktijken plaatsvinden. Van vergunninghouders en leidinggevenden wordt verwacht dat zij ervoor zorgdragen dat in hun inrichting en bij de uitoefening van het horecabedrijf geen strafbare feiten plaatsvinden.
Onder strafbare feiten worden in elk geval (niet uitsluitend) de volgende feiten verstaan:
heling;
illegale kansspelen;
underground banking;
aanwezigheid (vuur)wapen;
aanwezigheid handelshoeveelheid drugs (artikel 13b van de Opiumwet)
drugsgebruik en/of -handel; (artikel 13b van de Opiumwet)
mensenhandel;
tewerkstellen/werk laten verrichten van/door personen/werknemers zonder geldige titel voor het verrichten van arbeid.
Mede vanwege het ernstige en/of georganiseerde en/of ondermijnende karakter van dergelijke strafbare feiten en de impact die dit heeft op de openbare orde en veiligheid en het woon- en leefklimaat, wordt in beginsel uitgegaan van een sluiting van drie (3) maanden. Indien de feitelijke situatie daartoe aanleiding geeft, kan de burgemeester besluiten hiervan af te wijken en te volstaan met een waarschuwing of juist een stap over te slaan in onderstaand stappenplan.
Feiten en omstandigheden die relevant zijn bij een dergelijke afweging op dit punt zijn onder andere (niet limitatief):
de aard, duur en omvang van het strafbare feit;
constatering van meerdere strafbare feiten;
betrokkenheid van de vergunninghouder, leidinggevende(n), de portier(s), beveiliger(s) en/of het (overige) personeel;
de getroffen maatregelen door de vergunninghouder en/of leidinggevende om de openbare orde in en rond de inrichting in voldoende mate te herstellen en de medewerking die daarbij wordt verleend aan toezichthoudende instanties;
in de inrichting aantreffen van personen met antecedenten op het gebied van bovenstaande strafbare feiten of zich ten aanzien van dergelijke feiten recidiveren.
Wanneer een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen in een inrichting is de openbare orde per definitie in het geding. Dit is zeker het geval wanneer aannemelijk is dat drugs worden verhandeld in of vanuit de inrichting, ook indien dit gebeurt buiten medeweten van de vergunninghouder, leidinggevende of zijn/haar personeel om (artikel 13b van de Opiumwet).
Bij het bepalen van de op te leggen sanctie kijkt de burgemeester naar alle omstandigheden van het geval. Uitgangspunt is dat bij het aantreffen van een handelshoeveelheid drugs en/of een vuurwapen en bij drugshandel een sanctie volgt. In sommige gevallen kan de burgemeester echter besluiten dat hij voorlopig volstaat met een waarschuwing.
Een waarschuwing kán bijvoorbeeld volstaan, wanneer een kleine hoeveelheid drugs wordt aangetroffen, gelet op de feiten en omstandigheden kan worden uitgesloten dat de vergunninghouder en/of leidinggevende had kunnen weten dat zich in zijn inrichting drugs bevonden en er geen andere signalen zijn dat de inrichting een uitvalsbasis is voor drugshandel.
1e constatering
Proces-verbaal/rapportage naar burgemeester
Maximaal drie (3) maanden sluiting
2e constatering
Proces-verbaal/rapportage naar burgemeester
Maximaal zes (6) maanden sluiting
3e constatering
Proces-verbaal/rapportage naar burgemeester
Maximaal twaalf (12) maanden sluiting
Indien zich in de betrokken inrichting feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat door openstelling van de inrichting gevaar blijft bestaan voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid dan wordt mede de Alcoholwetvergunning ingetrokken door de burgemeester op grond van artikel 31, eerste en/of derde lid van de wet.
Artikel 7
Strafbare feiten in of vanuit inrichtingen
Onderdeel van Regeling horecasancties Heemstede 2025