Windmolens zijn vanwege hun grootte goed zichtbaar in het landschap. Moderne windmolens, overstijgen daarbij altijd het landschap en vormen daarin als het ware een nieuwe laag. Bij een initiatief moet daarom worden gezocht naar een locatie waar de landschappelijke impact voor de omgeving zoveel mogelijk wordt beperkt. Hierbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de locatie van de windmolens zelf, maar ook met de landschappelijke beleving vanuit verschillende gezichtspunten en zichtlijnen.
Een initiatief voor windenergie wordt bij voorkeur geplaatst in een ‘grootschalig open landschap’.
Bij een initiatief voor windmolens moet een landschapsplan worden opgesteld. Hierin moet worden uitgewerkt wat de effecten zijn op de landschappelijke beleving en welke maatregelen nodig zijn om de landschappelijke impact te beperken via compenserende maatregelen. Het initiatief moet voldoen aan een versterking van de biodiversiteit en landschapsontwikkeling/versterking. In de landschapsanalyse en het ontwerp van het windmolen-initiatief moet in ieder geval worden uitgewerkt (en worden onderbouwd dat wordt voldaan aan):
De landschappelijke uitgangspunten van de provinciale Omgevingsverordening zoals die zijn verwoord in de Streekgids Achterhoek. Daarbij is voor zoekgebied K vooral het deelgebied ‘Het Ruurlosche Broek’ van belang, terwijl voor zoekgebied I (i) moet worden gekeken naar het deelgebied ‘Het Oost-Nederlands plateau’.
De aanwezige (ruimtelijke) landschapskenmerken van het gebied en eventuele ontwikkeldoelen/kernkwaliteiten
het behoud van bestaande (en nieuwe) landschapselementen (zoals houtwallen, beplantingsstroken, bossen en zandpaden) en hoe deze landschapselementen worden gebruikt om de beleving op een positieve manier te beïnvloeden;
de maat, schaal en inrichting van het landschap en motivering van de as- en tiphoogte aan de hand van het landschap (waarom is de aangehouden hoogte nodig? Wat betekent het landschappelijk als wordt gekozen voor een lagere hoogte?);
de landschappelijke beleving van het windmolenpark in het landschap en vanuit omliggende woningen (door een realistische (3D-) visualisatie);
(zoveel mogelijk) behoud van zichtlijnen vanuit woningen en/of openbare wegen;
(zoveel mogelijk) voorkómen van visuele interferentie met nabijgelegen windmolens of windpark;
de cultuurhistorische achtergrond en waarden in het landschap;
op welke wijze het windpark een bijdrage levert aan de lokale natuurwaarden, bijvoorbeeld door een natuurinclusief ontwerp en koppelkansen voor natuur, landschap en water. Het windpark moet bijdragen aan de leefomgeving door:
een financiële bijdrage aan een fonds voor landschaps- en natuurontwikkeling in en rondom het windpark (compensatie met een plus);
mitigerende ingrepen in landschap en natuur om het zicht op het windpark vanuit omliggende woningen te beperken;
NB. De landschaps- en natuurontwikkeling (incl. instandhouding) wordt planologisch bestemd;
landschappelijke inpassing van de toegangs- en onderhoudswegen;
combinatie van hekwerken etc. met de landschappelijke randafwerking
de positie van de benodigde gebouwen in cluster of één lijn;
keuze van de kleur voor hekwerken en installatievoorzieningen/gebouwen (die in het landschap wegvallen);
op welke wijze wordt gewerkt met beplanting en andere middelen die passen bij het landschapstype (landschapstype-eigen);
installaties behorende bij de windmolen moeten zoveel mogelijk worden opgenomen in de voet van de windmolen
een beoordeling/berekening van een gebied 360 graden rondom het windmolenpark, welk gebied noodzakelijk is voor aanleg van landschapselementen voor landschappelijke inpassing. De situatie wordt met 3D beelden gevisualiseerd. Het gaat bij windmolens om een ‘lagenbenadering’ waarbij inpassing plaats vindt op meerdere locaties en op verschillende afstanden (lagen) van de molens. De beoordeling moet voor meerdere relevante (zicht) locaties inzichtelijk gemaakt worden. Dit ‘wensbeeld’ moet vervolgens getoetst worden op haalbaarheid van uitvoering. Bijvoorbeeld of de gewenste grondaankopen kunnen worden gerealiseerd. De grondposities die noodzakelijk zijn voor de landschappelijke inpassing incl. het landschappelijk inrichtingsplan maken deel uit van de aanvraag en vergunningverlening
Hoofdstuk 4. › Paragraaf 4.1
Artikel 4.1.6
Landschappelijke inpassing
Onderdeel van Beleidsdocument grote windmolens