Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4. › Paragraaf 4.1

Artikel 4.1.9

Kansenkaarten op basis van de landelijke ontwerpwindturbinebepalingen (2023)

Onderdeel van Beleidsdocument grote windmolens

Om in beeld te krijgen hoe de landelijke ontwerpwindturbinebepalingen doorwerken in de mogelijkheden voor het realiseren van windmolens in de zoekgebieden K en I, hebben de gemeenten kansenkaarten opgesteld. Daarbij is uitgegaan van de twee referentieturbines die ook in het planMER van het Rijk bij de ontwerpwindturbinebepalingen zijn gebruikt (235 m en 280 m tiphoogte), van de standaardwaarden van 45dB dBLden en 39 dBLnight en van de vuistregel dat deze standaardwaarden een geluidscontour van 600 m opleveren. Dit laatste betekent dat de afstand die vereist is vanwege de geluidsnorm meer bepalend is als belemmering voor het realiseren van windmolens dan de vaste afstandsnorm van tweemaal de tiphoogte van de windmolen (zonder toepassing van de ‘ZEZAM’- afwijking). Figuur 6. Belemmeringen referentieturbine 235 m tiphoogte (indicatief beeld) Figuur 7. Belemmeringen referentieturbine 280 m tiphoogte (indicatief beeld) Wanneer op basis van de bovenstaande belemmeringenkaarten wordt gekeken welk gedeelte van zoekgebied K voor het plaatsen van deze referentieturbines in aanmerking zou kunnen komen, dan blijkt bij een geluidsnorm van 45dBLden dat deze geluidsnorm maatgevend is en om een grotere afstand ten opzichte van gevoelige functies vraagt dan de vaste afstandsnorm van tweemaal de tiphoogte. Dit levert dat het onderstaande beeld op: Figuur 8. Kansenkaart (indicatief) voor windturbines zoekgebied K (geluidsnorm = bepalend 600 m) Voor zoekgebied I zijn hierna vergelijkbare belemmeringenkaarten weergegeven voor de beide referentieturbines: Figuur 9. Belemmeringen referentieturbine 235 m tiphoogte (indicatief beeld) Figuur 10. Belemmeringen referentieturbine 280 m tiphoogte (indicatief beeld) Uit deze belemmeringenkaarten komt naar voren dat zoekgebied I geen ruimte lijkt te bieden voor de turbines die bij de landelijke ontwerpwindturbinebepalingen als referentieturbines zijn gebruikt. Op basis van de bovenstaande belemmeringenkaarten en kansenkaart is vervolgens ook ingeschat hoeveel windmolens zouden kunnen worden geplaatst in de zoekgebieden, welk vermogen dat zou kunnen opleveren en hoe zich dat verhoudt tot de opgave die de gemeenten zijn aangegaan in het kader van de Regionale Energiestrategie (RES1.0). Ook daarbij is weer uitgegaan van de referentieturbines uit het landelijke plan-MER. Voor het groen gekleurde deel van zoekgebied K geldt dat dit een lengte heeft van ongeveer 1.320 m en dat het op zijn breedste punt ongeveer 470 m breed is. Voor het plaatsen van windmolens wordt doorgaans als vuistregel gehanteerd dat de onderlinge afstand 3 à 4 maal de rotordiameter moet bedragen. Bij een rotordiameter van 170 meter komt dit voor de referentieturbine ‘235 m tiphoogte’ neer op een onderlinge afstand van 510-680 m, een afstand die voor de referentieturbine ‘280 m tiphoogte’ via een rotordiameter van 200 m neerkomt op 600-800 m. Dit betekent dat in het betreffende gedeelte van zoekgebied K realistisch gezien drie windmolens met een tiphoogte van 235 m zouden kunnen worden geplaatst of twee windmolens met een tiphoogte van 280 m. Dit aantal windmolens kan worden vertaald in een daarmee te behalen elektriciteitsproductie, iets waarbij ook weer wordt aangesloten die de kengetallen die de landelijke planMER hanteert voor de beide referentieturbines (6MW voor ‘235 tiphoogte’ en 8 MW voor ‘280 m tiphoogte’). Met drie windmolens ‘235 tiphoogte’ of 2 windmolens ‘280 tiphoogte’ komt dat neer op 16-18 MW, een vermogen dat bij 3.300 uur voluit draaien (de zogenaamde “vollasturen”) zou neerkomen op 52.800 - 59.400 MWh (0,0052TWh-0,059 TWh). In RES-verband hebben de gemeenten Berkelland en Oost Gelre afgesproken dat zij een bijdrage van 0,071 TWh resp. 0,058 TWh willen invullen via windenergie. Deze gezamenlijke windopgave van 0,129 TWh kan echter niet worden gehaald door het plaatsen van twee of drie referentieturbines in de zoekgebieden K en I. De gezamenlijke elektriciteitsproductie daarvan komt namelijk uit tussen de 41% en 46% van deze gezamenlijke windopgave. Ondanks het gegeven dat de voorgaande berekeningen vanuit de landelijke ontwerpwindturbinebepalingen zijn gebaseerd op aannames, lijkt het er dus op dat de RES-opgave voor windenergie niet kan worden ingevuld binnen de zoekgebieden K en I uit RES1.0. Dit beeld zou niet veel anders worden wanneer met creatief passen en meten in zoekgebied K nog een windmolens zou kunnen worden geplaatst omdat de opbrengst ook dan nog zou uitkomen op ongeveer 60% van de RES-opgave. Al met al kan worden geconcludeerd dat de toepassing van de landelijke ontwerpwindturbinebepalingen zal maken dat de RES-opgave niet kan worden ingevuld in de zoekgebieden K en I uit RES 1.0. Bij dit alles is van belang om te beseffen dat de verschillende berekeningen en uitkomsten voortkomen uit de aanname dat in de zoekgebieden wordt gewerkt met de referentieturbines uit het landelijke planMER. Wanneer bij een concreet initiatief bijvoorbeeld een andere tiphoogte in beeld zou zijn of wellicht een stillere windturbine, dan zou het gedeelte van de zoekgebieden waarbinnen windmolens mogelijk zouden zijn er dus enigszins anders uit kunnen komen zien. Uit de bovenstaande afbeeldingen moet dus niet worden geconcludeerd dat in zoekgebied K alleen in het ‘groene’ gebied windmolens kunnen worden gerealiseerd en dat in zoekgebied I helemaal geen windmolens mogelijk zijn. Wel geven de afbeeldingen en de bijbehorende gegevens een eerste beeld van de mogelijkheden voor het plaatsen van windmolens in de zoekgebieden en van de bijdrage die de zoekgebieden dan zouden kunnen leveren aan de opgave uit RES1.0.

Rechtspraak bij dit artikel