Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4. › Paragraaf 4.1

Artikel 4.1.8

Randvoorwaarden afstand

Onderdeel van Beleidsdocument grote windmolens

Het regeerakkoord van het kabinet Rutte IV stelde een heldere afstandsnorm in het vooruitzicht voor de bouw van windmolens op land. Om die reden introduceerden de ontwerpwindturbinebepalingen een afstandsnorm die wordt bepaald op minimaal tweemaal de tiphoogte van de windturbine. Dit betreft een harde norm waarvan alleen kan worden afgeweken vanwege ‘zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen’ (ZEZAM). De Nota van Toelichting bij de ontwerpwindturbinebepalingen geeft aan dat toepassing van deze afwijkingsmogelijkheid vraagt om “…een indringende inhoudelijke afweging en goede motivering. Om tot een goede afweging te komen of de voorgenomen afwijking van het algemene beschermingsniveau van de afstandsnorm gerechtvaardigd is, moet gekeken worden naar de legitimiteit van het voorgenomen besluit, de doelmatigheid en doeltreffendheid daarvan, de evenredigheid en proportionaliteit, de noodzakelijkheid en naar de aanwezigheid van voldoende maatschappelijk draagvlak. Deze norm biedt veel zekerheid voor omwonenden, en weinig mogelijkheden voor maatwerk voor het bevoegd gezag vanwege de gedegen motiveringsplicht.”9 Nota van Toelichting, pag. 51. Tegen deze achtergrond en vanuit de wens van de gemeente om hinder vanwege windmolens zo gering mogelijk te laten zijn, gaan de gemeenten bij de toepassing van deze beleidsregel uit van de afstandsnorm zoals die is opgenomen in de ontwerpwindturbinebepalingen en zien zij na vaststelling daarvan op voorhand geen mogelijkheden voor toepassing van maatwerk via de ZEZAM-afwijking. Dit betekent dat de gemeenten uitgaan van een minimale afstand van tweemaal de tiphoogte tussen een windmolen en een windturbinegevoelig gebouw zoals deze is voorzien in artikel 5.162d Bkl.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel