1.. Aan het schoolbezoek van een leerling, die zijn woning heeft in de gemeente, kent het college aan de ouder(s) of de meerderjarige leerling op aanvraag een vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in deze verordening. Hierbij vormt de goedkoopst passende vervoersvoorziening het uitgangspunt.

2.. De bepalingen in deze verordening laten onverlet de verantwoordelijkheid van de ouder(s) voor het schoolbezoek van hun kinderen. Uitgangspunt daarbij is dat het begeleiden bij het vervoeren naar school de verantwoordelijkheid is van ouders.

3.. De zorgplicht van ouder(s) strekt zich in ieder geval uit over: verzorging, toezicht, begeleiding en opvoeding die een ouder(s) normaal gesproken geeft aan het kind passend bij de leeftijd en/of het ontwikkelingsniveau van het kind. Dat betekent ook dat als één van de ouders uitvalt, de andere ouder dit overneemt. Verder behoren ouders hun kinderen een passend leefklimaat te bieden in een veilige en stimulerende opvoedomgeving.

4.. Bij een aanvraag voor een vervoersvoorziening wordt uitgegaan van de eigen kracht en probleemoplossend vermogen van het kind, zijn ouder(s) en het sociale netwerk.

5.. Kiezen ouders op andere gronden dan godsdienstige of levensbeschouwing voor een verder weg gelegen school, bijvoorbeeld vanwege onderwijsinhoudelijke redenen, dan komt de leerling in principe niet in aanmerking voor leerlingenvervoer. In deze situatie heeft de gemeente de vrijheid om het vervoer gedeeltelijk te vergoeden door de kosten tot de dichtstbijzijnde school te vergoeden. De gemeente is dat evenwel niet verplicht.

6.. Het college weegt, conform artikel 3. t/m 9. van deze verordening, bij het onderzoek mee dat ouder(s) naast het recht ook een plicht hebben om hun minderjarig kind(eren) te verzorgen en op te voeden (art. 1:247 van het Burgerlijk Wetboek) en de kosten van die verzorging en opvoeding te dragen (art. 1:82 Burgerlijk Wetboek). Dit geldt ook als sprake is van een minderjarig kind met een ziekte, aandoening of beperking.

7.. Indien de noodzaak voor een vervoersvoorziening is aangetoond verstrekt het college een vervoersvoorziening voor het goedkoopst passende vervoer van de leerling van de woning dan wel de opstapplaats naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school.

8.. De verantwoordelijkheid om als dat nodig is te zorgen voor een begeleider berust bij ouder(s), tenzij naar het oordeel van het college voldoende is aangetoond dat begeleiding van de leerling door de ouder(s) of anderen uit hun sociaal netwerk onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden.

9.. De verantwoordelijkheid voor het gedrag van de minderjarige leerling gedurende het verblijf van de leerling in het aangepast vervoer berust bij de ouder(s).

10.. Bij de keuze voor de toe te kennen vervoersvoorziening wordt achtereenvolgens beoordeeld of vervoer, al dan niet met begeleiding, mogelijk is:

1°. Vergoeding van fietsvervoer voor de leerling;

2°. Vergoeding van openbaar vervoer voor de leerling;

3°. Aanbieding van aangepast vervoer voor de leerling; of

4°. Gehele of gedeeltelijke bekostiging van de door het college noodzakelijk geachte vervoersvoorziening voor de leerling.

11.. Er wordt geen afstandsgrens gehanteerd wanneer aan het college genoegzaam is aangetoond dat het een leerling betreft met een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke beperking.

12.. Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de wijze en het tijdstip van de verstrekking dan wel de uitbetaling, alsmede de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening.