1.. Bij de beoordeling van de aanvraag voor een vervoersvoorziening onderzoekt het college in elk geval de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling, het vervoersontwikkelingsperspectief van de leerling, de eigen kracht en probleemoplossend vermogen van zijn ouder(s) en het sociale netwerk, de afstand en de route tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school en de noodzakelijkheid om een vervoersvoorziening toe te kennen.

2.. Het college kan in een gesprek met de ouder(s) en desgewenst de leerling, nader onderzoek doen naar de noodzakelijk geachte vervoersvoorziening.

3.. Bij dit gesprek kan het college desgewenst ook een medewerker uit een ander domein of een (extern) deskundige betrekken bij het onderzoek en verzoekt deze advies uit te brengen ter beoordeling van de individuele situatie van de leerling op het moment dat het college specifieke deskundigheid noodzakelijk acht.

4.. De ouder(s) en de leerling verlenen medewerking aan het onderzoek en verschaffen daartoe in het kader van de medewerkings- en inlichtingenplicht de benodigde informatie.

5.. Bij gewijzigde omstandigheden kan het gesprek als bedoeld in het tweede lid opnieuw plaatsvinden.

6.. Het college betrekt in het gesprek tenminste de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling en de dichtstbijzijnde toegankelijke school als bedoeld in artikel 15. van deze verordening.

7.. De mogelijke afstemming van de vervoersvoorziening met andere in het kader van het sociaal domein aan de leerling of het gezin verstrekte voorzieningen maakt ook deel uit van het onderzoek.