1.. Het college kan bij het verstrekken van een vervoersvoorziening een opstapplaats aanwijzen van waaruit de leerling gebruik maakt van de vervoersvoorziening.

2.. Het college kan tussentijds een andere opstapplaats aanwijzen.

3.. De opstapplaats bevindt zich op een veilige en beschutte locatie en op een redelijke loopafstand van de woning van de leerling en biedt voldoende ruimte voor een eventuele begeleider.

4.. De ouder(s) zijn verantwoordelijk voor de begeleiding van de leerling van de woning naar de opstapplaats en van de opstapplaats naar de woning.

5.. Het college wijst geen opstapplaats aan als:

  • - door de ouder(s) wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen uit hun sociaal netwerk onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden;
  • - als het gebruik van een opstapplaats leidt tot hogere kosten dan inzet van een vervoersvoorziening vanaf de woning van de leerling.