Naar hoofdinhoud
Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstuk 4.1 zijn ook van toepassing. Stedenbouwkundige uitgangspunten Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing Raakvlakken 1.1-1 Houd rekening met de aanwezigheid van (particuliere) bomen in de bestaande situatie. O.a. bij nieuwe ontwikkelingen. Werken rondom bomen volgens het Handboek bomen. 1.1-2 De levensduur van bomen dient ten minste 60 jaar in redelijke conditie te zijn. Gekoppeld aan de eisen in het Handboek bomen. 1.1-3 Voor bomen langs wegen en fietspaden dient er een integrale afstemming plaats te vinden over de verkeersveiligheid. Wegen 1.1-4 Rekening houden met de locatie en uiteindelijke hoogte van bomen en eventuele zonnepanelen op daken. Er moet genoeg ruimte zijn om bomen toe te passen. 1.1-5 Op locaties waarbij de verkeers- en sociale veiligheid in het geding is, mag de onderbeplanting de onderkant van de boomkroon niet raken. 1.1-6 Beplantingen moeten qua hoogte en groeiwijze passen bij de locatie. Aansluiten op bestaande beplantingen en/of passen in het straatprofiel. Er dient rekening gehouden te worden met de locaties en grootte van de plantvakken. 1.1-7 Kies de juiste aanplantmaat. Bij bomen in stedelijke omgeving is dit bij voorkeur 18-20 cm. Bij bomen op winderige locaties in het buiten gebied kan dit 14-16 cm of 16 – 18 zijn. Uitgangspunten ontwerp en inrichting Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing Raakvlakken 1.1-8 Afwijkingen t.o.v. het Handboek bomen dienen onderbouwd te worden in een ontwerpvisie. Afwijkingen mogen alleen met toestemming van vakgroep groen Team Openbare Ruimte. Zie Bijlage 8 - Bomenposter boomontwerp, Handboek bomen Ontwerpen moeten voorzien zijn van een berekening in de Boommonitor Benodigde groeiplaats berekend op een minimale leeftijd van 60 jaar, ambitieniveau redelijk. 1.1-9 Afstanden tussen objecten en rijwegen dienen uitgevoerd te worden conform het Handboek bomen. Wegen 1.1-10 Arbeidsintensieve vormbomen alleen toepassen op locaties met beeldkwaliteit A, zoals vastgesteld door de Raad. Alleen toepassing in Stadshart en centrum. Zie ook hoofdstuk 4.1.1.1 Bomen in verharding. 1.1-11 De kroon van druipende en vruchtdragende bomen mag geen overlast vormen voor het gebruik en de functies onder de boom. Bijvoorbeeld vruchtval, hars, bladval, etc. Wegen 1.1-12 Langs (rij)wegen dienen bomen te worden toegepast van een grootte waarbij de doorrijhoogte van het maatgevende wegverkeer gewaarborgd blijft en de natuurlijk habitus(vorm) gewaarborgd blijft. Dit om de natuurlijke kroonvorm te houden. Wegen 1.1-13 Boomsoort en onderlinge afstand tussen bomen in laanformatie dient afgestemd te worden op de plaatselijk situatie, eindgrootte en de stabiliteitskluit. 1.1-14 Bomen in een voetpad alleen toepassen als er minimaal 1,5 m beloopbare ruimte overblijft. Wegen 1.1-15 De boomkeuze dient afgestemd te zijn op het (veranderende) klimaat, plagen, ziekten en locatie. 1.1-16 Zoutschade aan bomen dient voorkomen te worden. Wegen 1.1-17 Lichtmasten moeten zich buiten de uiteindelijke kroonprojectie van een boom bevinden. Dit is minimaal de halve kroondiameter, van het eindbeeld. Openbare verlichting 1.1-18 Graafafstanden ten opzichte van bovengrondse en ondergrondse objecten en elementen conform Handboek bomen. Alle objecten 1.1-19 Aanrijdschade dient voorkomen te worden. O.a. bij parkeerplaatsen. 1.1-20 Bomen moeten minimaal 2,0 m uit erfgrenzen worden gezet. 1.1.21 Bomen dienen verankerd te worden met onbehandelde kastanjehouten boompalen en boomband. 1.1-22 Geen bomen op of vlakbij kabels en leidingen plaatsen. Hou rekening met minimale graafafstanden conform Handboek bomen. Kabels en leidingen 1.1-23 Geen bomen van de 1ste en 2de grootte in plantenbakken plaatsen. 1.1-24 Nieuwe bomen dienen voorzien te zijn van een waterdicht systeem om water te geven, die ten minste 70 liter water kan houden. Voorziening 3 jaar in stand houden. Uitgangspunten uitvoering en onderhoud Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing Raakvlakken 1.1-25 Doorrijhoogte t.b.v. opkronen van bomen: Ten minste 2,5m t.p.v. voetpaden Ten minste 3,0m t.p.v. fietspaden Ten minste 4,5m t.p.v. rijwegen Wegen 1.1-26 Bij werkzaamheden rond bomen dienen te allen tijde beschermende maatregelen genomen te worden volgens hoofdstuk 2 – ‘Werken rond bomen’ - van het Handboek Bomen. Zie Bijlage 3 – Bomenposter werken rondom bomen, Handboek bomen 1.1-27 Van te handhaven bomen mogen geen wortels verwijderd worden dikker dan 20mm zonder overleg met de opzichter van het werk. Afstemming met Boomadviseur Team Openbare Ruimte. 1.1-28 Blootliggende boomwortels na graafwerkzaamheden zo snel mogelijk bedekken met daarvoor geschikte grond. Ontgraven wortels dienen te worden beschermd tegen uitdrogen, vorst en beschadiging. 1.1-29 Bij het toepassen van bronbemaling dienen beschermende maatregelen getroffen te worden om uitdroging van de wortelkluit de voorkomen. 1.1-30 De natuurlijke habitus (vorm) van bomen dient zo veel mogelijk gehandhaafd te blijven. Met uitzondering van vorm-, laan- en knotbomen. 1.1-31 Verplanten van bomen niet als standaardmaatregel toepassen. Alleen uitvoeren na positieve uitkomst verplantbaarheidsonderzoek volgens Handboek bomen. 1.1-32 Bij te handhaven bomen dient de initiatiefnemer een goedgekeurd werkplan bomen te overleggen. Goedkeuring door Boomadviseur van Team Openbare Ruimte. 1.1-33 Bij bomen dient graven in de wortelzone te worden voorkomen. Indien voor nieuwe kabels een tracé buiten de wortelzone niet mogelijk is, is het Handboek Bomen van toepassing. Werkzaamheden alleen na goedgekeurd werkplan bomen, goedkeuring door Boomadviseur van Team Openbare Ruimte. 1.1-34 Eventuele schade per direct melden aan de betreffende groenopzichter.

Rechtspraak bij dit artikel