Naar hoofdinhoud
Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstuk 4.3 zijn ook van toepassing. Algemene eisen en randvoorwaarden openbare verlichting Eisen milieu en duurzaamheid Code Omschrijving eis/uitgangspunt 3.1-1 Zoek actief naar duurzame oplossingen en adviseer de beheerder Openbare Verlichting daar gevraagd en ongevraagd over. 3.1-2 Toepassen van elektronische, energiezuinige apparatuur. 3.1-3 Voorschakelapparatuur en lampen dienen in aparte compartimenten en op aparte montageplaten worden ondergebracht, zodat gescheiden vervanging dan wel verwijdering aan het einde van de levensduur mogelijk is. 3.1-4 Ten behoeve van de recyclebaarheid van de diverse onderdelen dienen de toegepaste materialen uit één element te bestaan. 3.1-5 Er mogen geen milieubelastende coatings op de armatuur te worden aangebracht. 3.1-6 De armaturen dienen geschikt te zijn voor lampen die voldoen aan de eisen die de EU-richtlijnen en –wetgeving op het gebied van de beperking van het gebruik van gevaarlijke stoffen stellen. 3.1-7 Bij alle te maken keuzes, waarbij gedacht moet worden aan materialen, oppervlaktebehandelingen, maar ook aan verpakkingsmaterialen en transport, moeten milieuargumenten mee worden gewogen. 3.1-8 Het gebruik van duurzame, recyclebare en minder milieubelastende materialen dient te voldoen aan de ‘Nederlandse Emissie Richtlijnen’(NER) en aan de Eural (Europese Afvalstoffenlijst). 3.1-9 Verpakking dient zodanig ontworpen te worden dat deze geschikt is voor hergebruik. 3.1-10 Alle verpakkingseenheden dienen te worden voorzien van benaming, typenummer en serienummer van de armatuur. Stedenbouwkundige uitgangspunten Code Omschrijving eis/uitgangspunt 3.1-11 De gebiedsindeling van de openbare verlichting wijkt af van de gebiedsindeling van de LIOR. De kaart is op te vragen bij beheerder. 3.1-12 Uit duurzaamheidsoverwegingen uitgaan van een duurzame lichtbron. Bij voorkeur ledverlichting toepassen tenzij er redenen zijn om daarvan af te wijken. Dit dient in overleg te gaan met de OV-beheerder van de gemeente Den Helder. Uitgangspunten ontwerp en inrichting Code Omschrijving eis/uitgangspunt Raakvlakken 3.1-13 Situaties en verlichting die niet zijn opgenomen in de LIOR dienen eerst te zijn overlegd met de beheerder van de openbare verlichting. 3.1-14 Voordat de definitieve ontwerpwerkzaamheden starten dient de huidige situatie van de openbare verlichting inzichtelijk te zijn. Dit om te voorkomen dat een OV kast te klein is etc. 3.1-15 De OV-werkzaamheden mogen niet eerder starten dan dat de ontwerptekeningen zijn getoetst door de beheerder. 3.1-16 Technische levensduureisen: Lichtmasten, 40 jaar Armaturen, 20 jaar Kabels, 60 jaar Kasten, 30 jaar 3.1-17 De openbare verlichting en installaties daarvan dienen zowel bovengronds als ondergronds te zijn afgestemd op het omliggende groen en de ontwikkeling daarvan. Met name de ontwikkeling van het groen. Groen 3.1-18 De openbare verlichting en installaties daarvan dienen zowel bovengronds als ondergronds te zijn afgestemd op de bestaande of aan te leggen objecten. 3.1-19 Schijnveiligheid dient voorkomen te worden. 3.1-20 Achterpaden en speeltuinen worden niet verlicht. Tenzij er een zwaarwegende reden is om toch verlichting toe te passen. Spelen 3.1-21 Recreatieve paden worden niet verlicht. Tenzij er een zwaarwegende reden is om toch verlichting toe te passen. 3.1-22 Rekening houden met raampartijen. Lichtmasten zo veel mogelijk op de erfscheiding plaatsen. 3.1-23 Rekening houden met aanrijdgevoeligheid. 3.1-24 Rekening houden met in- en uitritten. Ook bij stegen. 3.1-25 Bij voetpaden met een recreatief karakter, of die in een natuurgebied liggen, is verlichting niet wenselijk, tenzij deze paden een belangrijke verbindingsfunctie vervullen en er geen logische alternatieve route aanwezig is. 3.2-26 De gelijkmatigheid van de verlichting dient te zijn afgestemd op het verhardingstype van de weg. 3.3-27 Nieuwe ontwikkelingen die door een ontwikkelende partij toegepast gaan worden dienen te zijn afgestemd met de OV beheerder van de gemeente..

Rechtspraak bij dit artikel