Naar hoofdinhoud
Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.3 en 4.3.1 zijn ook van toepassing. Algemene eisen Code Omschrijving eis/uitgangspunt 3.1.1-1 De masten moeten voldoen aan de onderstaande NEN-normen: NEN-EN 40-1- 1994 Lichtmasten; termen en definities. NEN-EN 40-2- 2004 Lichtmasten; afmetingen en toleranties. NEN-EN 40-3-1 – 2000 Ontwerp en verificatie; specificatie van de karakteristieke belastingen. NEN-EN 40-3-2 – 2000 Ontwerp en verificatie; verificatie door beproeving. NEN-EN 40-3-3 – 2003 Ontwerp en verificatie; verificatie door berekening. NEN-EN 40-5 – 2002 Ontwerp en verificatie; eisen voor stalen lichtmasten. NEN-EN-ISO 1461 Door thermisch verzinken aangebrachte deklagen op stalen voorwerpen. Specificaties. NEN-EN-ISO 4628 Verven en vernissen. Beoordeling van de kwaliteitsafbraak van verflagen. Aanduiding van de intensiteit, hoeveelheid en omvang van algemeen voorkomende gebreken. 3.1.1-2 De masten moeten voldoen aan de onderstaande ISO-normen: NEN-EN-ISO 12944 Verven en vernissen. Bescherming van staalconstructies tegen corrosie d.m.v. verfsystemen. Deel 1 t/m 8 3.1.1-3 De masten moeten voldoen aan de onderstaande NPR-richtlijnen: NPR 988: 2000 Stalen lichtmasten, aanbevelingen voor de constructie. NPR 988: c1 2001 Stalen lichtmasten, aanbevelingen voor de constructie, correctieblad. NPR 7452 Toelichting op NEN-EN-ISO 12944 3.1.1-4 De masten moeten voldoen aan de: NEN-EN 1991-1 / 3 / 4 / 5 / 7 en 3-1 en NEN-EN 1993-3 (TGB 1990 Ontwerp en berekening) 3.1.1-5 De masten moeten voldoen aan de: CROW-215 Handboek lichtmasten 3.1.1-6 Masten dienen voorzien te zijn van CE-markering 3.1.1-7 De plaats van een mast dient met een hoogwerker bereikbaar te zijn. Constructies en mechanisch De toe te passen armaturen moeten voldoen aan de onderstaande constructieve eisen, zodat de armaturen geplaatst, gebruikt en onderhouden kunnen worden op een deugdelijke en veilige manier. Code Omschrijving eis/uitgangspunt 3.1.1-8 Masten dienen uit één soort materiaal te bestaan, te weten staal. 3.1.1-9 Achter het mastdeurtje dient in de mast ruimte te zijn voor de montage van een aansluitkastje. 3.1.1-10 Zowel de netbeheerder van het gereguleerde voedingsnet als de gemeente Den Helder als netbeheerder van het eigen voedingsnet passen de volgende aansluitkastjes toe: Faget LS 94 Faget LS 94L 3.1.1-11 Voor bevestiging van het aansluitkastje dient direct achter het mastdeurtje, aan de binnenzijde de mast een RVS montagerail (C-rail) met 2 hittebestendige glijmoeren M6 te worden bevestigd. 3.1.1-12 Mastdeurtje dient d.m.v. een vandaalbestendige sluiting (namelijk Kaal-Fix sluiting) afgesloten te kunnen worden. 3.1.1-13 Bevestigingsmiddelen dienen van de kwaliteit RVS A2 te zijn. 3.1.1-14 Toleranties moeten voldoen aan de gestelde eisen, zoals omschreven in de NEN-EN 40-2. 3.1.1-15 Lichtmasten en armaturen moeten voldoen aan windklasse 1 volgens NEN-EN 40-3-1. Den Helder behoort tot gebeid I, waarin de hoogste windsnelheid categorie bereikt wordt. Elektrisch De elektrische eisen moeten worden nageleefd om er een veilig en werkbaar object van te maken. Het moet voldoen aan de geldende eisen zodat een daar toe bevoegd persoon, er veilig aan kan werken. De elektrische eisen zijn er tevens op gericht om duurzame en verantwoorde producten toe te passen. Code Omschrijving eis/uitgangspunt 3.1.1-16 De elektrische aansluiting van armaturen vindt plaats op het aansluitkastje achter het mastdeurtje, in de mast. 3.1.1-17 Alle metalen masten moeten worden geaard. Volgens NEN-EN 40-2 moet een aardvoorziening aanwezig zijn door middel van een bout verbinding van minimaal M6. De bout moet in de onmiddellijke nabijheid achter het mastdeurtje, aan de binnenzijde van de mast zijn. Om verwarring te voorkomen is het aan te bevelen de aardaansluiting op een vaste plaats, aan de binnenzijde van de mast links onder het mastdeurtje, te houden. 3.1.1-18 Lichtmasten kunnen buiten het dragen van een verlichtingsarmatuur ook zijn voorzien van al dan niet verlichte bebordingen zoals verkeersborden en straatnaamborden. Aan afmetingen, gewicht en wijze van bevestigen worden eisen gesteld. Maximale afmetingen: Verkeersborden, landelijk vastgesteld. Straatnaamborden, landelijk vastgesteld Hoogte van maaiveld tot onderzijde reclamebord/klok bedraagt: Verkeersbord, onderste bord 220cm, meerdere borden boven elkaar mogelijk. Straatnaambord zie straatmeubilair Combinaties: Verkeersborden op alle masten in alle combinaties mogelijk. Straatnaamborden op alle masten in alle combinaties mogelijk. Alle bevestigingen aan een lichtmast dienen te worden uitgevoerd middels een klembandconstructie die door het toepassen van een beschermingsrubber beschadigingen aan de lichtmast en/of de coating uitsluiten. In twijfelgevallen is een sterkteberekening van de mast gewenst. In ieder geval dient bij het plaatsen van spandoeken, banieren of schijnwerpers aan een mast altijd vooraf bij de OV-beheerder navraag te worden gedaan of de desbetreffende mast hiervoor geschikt is. Het invoeren van een aansluitsnoer door de wand van de lichtmast van een aan de mast bevestigd object dient te geschieden door het toepassen door een waterdichte kabelwartel. Levensduur De totale kosten voor de openbare verlichting zijn aanzienlijk, daar waar een langere levensduur mogelijk is, levert dat een besparing op in het onderhouden en het vervangen van de masten. Code Omschrijving eis/uitgangspunt 3.1.1-19 Gedurende de levensduur mogen geen grote gebreken optreden ten aanzien van corrosie en conservering. De mast dient zijn functie te behouden ten aanzien van sterkte en stijfheid. 3.1.1-20 De levensduur van een stalen mast dient minimaal 40 jaar te bedragen. 3.1.1-21 Er mogen geen milieubelastende coatings worden aangebracht. Conservering Code Omschrijving eis/uitgangspunt 3.1.1-22 Conservering dient te voldoen aan NEN-EN ISO 12944 en NPR 7432. 3.1.1-23 Corrosieklasse minimaal C3 “zeeklimaatbestendig” conform NEN-EN ISO 12944. 3.1.1-24 Het conserveringssysteem dient te bestaan uit een poedercoating bestaande uit Qualicoat klasse 1 producten (TGIC-vrij). 3.1.1-25 Het conserveringssysteem dient te bestaan uit een poedercoating bestaande uit Qualicoat klasse 1 producten (TGIC-vrij). 3.1.1-26 Voor poedercoating geldt: Masten in het Stadshart RAL 7039 Masten langs de Grachtengordel RAL 7043 Masten volgens het Filia systeem AKZO 900 3.1.1-27 Het gehele grondstuk dient aan de buitenzijde beschermd te zijn tegen corrosie door wisselende milieubelasting tot 20 cm boven maaiveldniveau. 3.1.1-28 De binnenzijde van het grondstuk hoeft niet van een verfsysteem te worden voorzien. 3.1.1-29 Onder oppervlaktedefecten wordt verstaan: poriën (pinholes), overspray, zakkers, druipers, kraters, blazen, insluitingen van vuil en zogeheten heilige dagen. 3.1.1-30 Conserveringssysteem dient te voldoen aan de ISO 12944 en de NPR 7452. 3.1.1-31 Van de toe te passen verfsoorten dienen product databladen overlegd te worden waarin de eigenschappen staan vermeld. 3.1.1-32 Kleur- en/of glansverschillen in de conservering van aan elkaar grenzende en/of met elkaar verbonden staalconstructies, die volgens het bestek dezelfde kleur en/of kleurcodering dienen te hebben, zijn niet toegestaan. Thermisch verzinken Code Omschrijving eis/uitgangspunt 3.1.1-33 Thermisch verzinken volgens NEN-EN-ISO 1461. 3.1.1-34 Bij het verzinken van werkstukken met grote lengte, die niet in één keer gedompeld kunnen worden, dient speciale aandacht aan de overlapping te worden besteed. Deze mag niet zichtbaar zijn. 3.1.1-35 Door de mogelijkheid van penetratie van beitsvloeistof en/of onderbreking van de zinklaag, dient het laswerk zodanig te zijn uitgevoerd, dat een gladde en homogene las wordt verkregen. Holten, spleten, slakresten en lasspetters zijn niet toegestaan. 3.1.1-36 Indien van toepassing dient aan de verzinkerij meegedeeld te worden dat na het verzinken een verfsysteem wordt aangebracht. 3.1.1-37 Na het verzinken moet, indien vervormingen zijn opgetreden, het materiaal koud worden gericht. 3.1.1-38 Beschadigingen waarbij het onderliggende materiaal bloot komt, moeten worden bijgewerkt door zinkschooperen. Ernstige beschadigingen kunnen tot afkeur leiden. 3.1.1-39 De zinklaag moet glad, vrij van druppels, pukkels en zinkas resten zijn. 3.1.1-40 De zinklaag mag geen openingen, pin-holes, kraters, etc., bevatten. 3.1.1-41 De zinklaag moet goed aanhechten op de stalen ondergrond. 3.1.1-42 De zinklaag dient stootvast te zijn. 3.1.1-43 Lasspetters voor het verzinken verwijderen. 3.1.1-44 Masten mogen niet over de gehele oppervlakte ruw zijn, slechts kleine vlakken worden geaccepteerd (minder dan 20 % van het mast oppervlak). 3.1.1-45 De VISEM-eisen zijn van toepassing. VISEM staat voor Vereniging Industriële Spuit en Moffelbedrijven. 3.1.1-46 Betreft het opstellen en leveren van kwaliteitsgegevens t.b.v. het conserveringssysteem. De volgende aspecten dienen met ondersteuning van de verfleverancier te worden overlegd: Qualicoat productcertificaat. Aantoonbare duurzaamheidklasse. Aantoonbare corrosieklasse. Kleurbehoud. Glansbehoud. Weerstand tegen corrosie. Weerstand tegen cracking. Weerstand tegen afpoederen. De eisen hiervoor staan vermeld in Qualicoat. Deze kwaliteitsgegevens worden tevens gebruikt voor een keuring aan het eind van garantietermijn. 3.1.1-47 Betreft het verrichten van metingen op 5% van het aantal geconserveerde masten. Hiervan dienen tevens rapportages overlegd te worden, uiterlijk 5 dagen na Levering. De volgende metingen dienen uitgevoerd te worden: Laagdiktemetingen volgens NEN-EN-ISO 2360. Hechting volgens NEN-ISO 2409. Hardheid volgens NEN-ISO 2815. Garanties Code Omschrijving eis/uitgangspunt 3.1.1-48 De leverancier dient voor de totale conservering, alvorens met de conserveringswerkzaamheden wordt begonnen, de OV beheerder een verklaring te overhandigen waarin de aannemer zowel de geleverde producten, als ook het straalwerk en het conserveringswerk, garandeert voor 100% gedurende 5 jaar na oplevering. 3.1.1-49 Gedurende de garantieperiode moet de conservering voldoen aan de volgende eisen: Corrosie: bepaald volgens NEN-EN-ISO 4628-3, =< Ri 1. Spleetcorrosie: als bedoeld in NEN-EN-ISO 4628-1 mag niet voorkomen. Putcorrosie: als bedoeld in ASTM G46-94 mag niet voorkomen. Hechtsterkte: laagdikte <250μm volgens NEN-EN-ISO 2409, kl.1 laagdikte >250μm volgens NEN-EN-ISO 4624, >= 3Mpa; Blaarvorming: bepaald volgens NEN-EN-ISO 4628-2 mag niet voorkomen (kl. 0); Barstvorming: bepaald volgens NEN-EN-ISO 4628-4 mag niet voorkomen (kl. 0). Bladderen: bepaald volgens NEN-EN-ISO 4628-5 mag niet voorkomen (kl. 0); Verkrijting: bepaald volgens NEN-EN-ISO 4628-6, =<3; Verkleuring: bepaald volgens DIN 6174: 3.1.1-50 Indien de in eis 3.1.1-49 genoemde gebreken optreden binnen de garantietermijn, moet dit worden hersteld in het oorspronkelijke conserveringssysteem. Indien in dezelfde garantieperiode verkrijting en/of verkleuring van de conservering optreedt, dient de aannemer een voorstel in te dienen aan de OV beheerder voor herstel van de conservering, dat voldoende waarborg biedt tegen opnieuw optreden van deze gebreken en, na goedkeuring van de OV beheerder, de conservering volgens dit voorstel te herstellen, waarbij de garantieperiode opnieuw ingaat. 3.1.1-51 Het al dan niet optreden van de in lid 03 genoemde gebreken zal niet worden geïnterpreteerd op het object als totaal maar op individuele delen van het object die door middel van bout-, las-, klink- of andersoortige verbindingen zijn samengevoegd en als zodanig het object vormen.

Rechtspraak bij dit artikel